Column

Dat Koenders er zin in heeft, is te zien

Soms krijg je de indruk dat buitenlandse politiek Nederlanders vooral interesseert, wanneer die een theologische bijsmaak heeft. De nieuwe vijandigheid van Rusland tegenover democratieën brengt in ons land niet veel polemiek teweeg: abstract, ingewikkeld, veel voorgeschiedenis. Nee, dan het Midden-Oosten. IS geeft, omdat er sprake is van Nederlandse vrijwilligers, gelegenheid de levensbeschouwelijke nieren van de buurman te proeven, en quasitheologisch debatten te voeren over het wezen van de islam. Iets dergelijks speelt bij het Israëlisch-Palestijnse conflict. Toen ik op deze plaats een paar maanden geleden bezwaar maakte tegen de voorstelling van het zionisme als een van oudsher ten kwade geneigde ideologie, regende het mails met literatuurverwijzingen: als ik deze boeken las, zou ik het licht wel zien. Buitenlandse politiek is – volgens veel Nederlanders met een uitgesproken mening – meer een kwestie van moreel gelijk dan realpolitik, oftewel de behartiging van nationaal belang. In een land waar eeuwenlang theologische kwesties in het hart van het maatschappelijk debat stonden, kun je misschien ook niet anders verwachten.

Het valt vermoedelijk niet mee om van een dergelijk land de minister van Buitenlandse Zaken te zijn. Er is net een kersverse aangetreden: Bert Koenders, die deze week op een bijeenkomst in Amsterdam van de Foundation Max van der Stoel de dialoog met het publiek aanging. Dat Koenders zin heeft in zijn nieuwe baan, is hem aan te zien. De titel van de bijeenkomst deed al vermoeden dat de minister weet waar de schoen wringt: Idealen in een veranderende wereld. En inderdaad: uit de zaal kwamen voornamelijk vragen over bekende kwesties als het Israëlisch-Palestijnse conflict en versterking van de rol van de Verenigde Naties in Afrika. Zoiets bedreigends als Poetin lijkt tot de achterban nog niet echt doorgedrongen.

Zodat de minster er zelf maar over begon, en dat viel niet tegen. „Onze veiligheid staat op het spel”, zei Koenders, sprekend over Rusland en Oekraïne, en ook over IS. „We hebben de neiging het kwaad te onderschatten. [...] Wij hebben in Nederland erg lang geleefd in een gevoel van veiligheid. Daarom reageren Nederlanders misschien ook wel wat labieler dan andere naties, wanneer er iets gebeurt.” Interne en externe veiligheid hangen steeds meer samen, meende de minister ook. Hij maakt zich zorgen over de in Nederland bestaande neiging „vaak elkaar moreel de maat te nemen”. Hij waarschuwde voor „slappe knieën” tegenover Rusland en bracht als onderwerp van grote zorg een probleem naar voren, waarover je zelden hoort: de volstrekte desintegratie van de Libische staat, waardoor voor de deur van Europa een witte plek op de kaart ontstaat, die kwaadwilligen in kunnen vullen.

Zo werd het, ondanks de voorspelbare vragen, dus toch nog een boeiende avond. Wat een avontuur moet dat zijn: aantreden als minister van Buitenlandse Zaken aan het eind van een jaar waarin de wereld fundamenteel is veranderd, en alles onzeker lijkt. Koenders is minister in terra incognita.