CIA misleidde menig president

President Bush gaf de CIA na ‘9/11’ zelf de vrije hand, maar zou vervolgens lang zijn misleid over het martelen. Dat past in een traditie.

Foto epa

Wat wist het Witte Huis van het martelprogramma van de CIA, dat deze week in een rapport van de Senaat deels openbaar is gemaakt? Alles, zei althans oud-vicepresident Dick Cheney gisteren. Dat president Bush niet op de hoogte was van de verhoormethoden van de geheime dienst, „is een grove leugen”.

De Senaatscommissie die de afgelopen zes jaar onderzoek deed naar de behandeling van 119 Al-Qaedaverdachten tussen 2002 en 2009, trok een tegengestelde conclusie. Het waterboarden, het rectaal inbrengen van voedsel, het vastketenen, het mishandelen – Bush wist er niet of nauwelijks van. Hij werd „misleid” door zijn geheime dienst, met als het Congres en het Amerikaanse publiek.

Pas in 2006 hoorde Bush voor het eerst wat er in de geheime gevangenissen in onder meer Polen en Roemenië gebeurde. Toen hij details hoorde, reageerde de president „ongemakkelijk”, aldus het rapport. Toch bleef het programma nog enkele jaren bestaan.

Zelden is de verhouding tussen president en geheime dienst zo pijnlijk blootgelegd als deze week. De CIA bleek al die jaren niet een verlengstuk van Bush te zijn geweest, maar voer een eigen koers, niet geremd door democratische of bureaucratische bezwaren.

Toch was het Bush die de CIA de vrije hand gaf. Na de aanslagen van 11 september 2001 nam het aantal CIA-agenten op zijn verzoek met 50 procent toe. In februari 2002 tekende hij een memorandum, waarin hij besliste dat de ondervraging van Al-Qaedaverdachten niet onder de Geneefse Conventies viel.

De spionagedienst, schreef New York Times-journalist Tim Weiner in zijn boek Legacy of Ashes (2008), „begon sindsdien te werken als een wereldwijde militaire politie”. Niet alleen werden 119 gevangenen in een speciaal verhoorprogramma vastgehouden. Honderden andere gevangenen leverde de CIA uit aan geheime diensten van Pakistan, Egypte en Syrië.

De CIA heeft volgens Tim Weiner al sinds de oprichting in 1947 een problematische relatie met het Witte Huis. De Tweede Wereldoorlog was gewonnen, maar serieuze spionage bestond nog niet. De CIA kreeg in de Koude Oorlog ruime bevoegdheden, die veel verder gingen dan spioneren. De dienst bemoeide zich met buitenlandse politiek. De CIA organiseerde in 1953 een staatsgreep in Iran, en raakte betrokken bij oorlogen in Midden-Amerika.

Toch groeide volgens Tim Weiner het wantrouwen tussen geheime dienst en presidenten. Het grootste probleem van de CIA is volgens Weiner dat de dienst vaak slecht werk leverde. Tijdens de Koude Oorlog had Amerika niet één goede bron in het Kremlin. De Irak-oorlog was onder meer gebaseerd op verkeerde CIA-informatie over massavernietigingswapens. De jacht op Osama bin Laden mislukte in de eerste maanden na 9/11 jammerlijk.

De reactie van de CIA was, zo beschrijft Weiner: nog geheimer worden. Presidenten kregen vooral succesverhalen te horen en hun werd nooit verteld wat er echt gebeurde.

Donkere kant

Presidenten als Kennedy en Eisenhower ergerden zich aan het gebrek aan informatie. „Om te overleven in Washington”, schrijft Weiner, „moest de dienst een gewillig oor bij de president vinden. De analisten leerden om in het gelid te lopen, en te bevestigen wat iedereen wilde horen.” De CIA maakte zichzelf mythisch, en verhulde het eigen feilen.

George W. Bush kende de CIA beter dan zijn meeste voorgangers. Hij onderhield een goede band met toenmalig directeur George Tenet. Zijn vader, George Bush, leidde de CIA bovendien in de jaren zeventig. Bush had minder reden de CIA te wantrouwen.

In zijn autobiografie, Decision Points, schrijft Bush dat Tenet hem gedetailleerd op de hoogte hield van de strijd tegen terreur. Bush kreeg voorstellen van ondervragingstechnieken die de CIA wilde gebruiken. Hij keurde er twee af, schrijft hij. Waterboarden vond hij goed. Op een dag vroeg Tenet of hij Khalid Sheikh Mohammed, het vermeende brein achter 9/11, mocht laten waterboarden. Bush: „Damn right.”

Volgens het Senaatsrapport waren de dagelijkse briefings die Bush kreeg, oppervlakkig. Lastige politieke vragen bleven daarom uit, en de CIA kon de versterkte positie in Washington behouden.

In het verleden is de CIA enkele keren door het Congres aan strengere regels of extra toezicht onderworpen, meestal nadat een schandaal was uitgekomen. Zo maakte het Congres, in ieder geval op papier, in de jaren zeventig een einde aan een reeks liquidaties van buitenlandse politici. Toch is het onwaarschijnlijk dat het Congres ook nu de CIA aan banden zal leggen. Niet alleen valt het hele Congres in januari in handen van de Republikeinen. President Obama heeft de CIA, bijgenaamd ‘de donkere kant’ van Amerika’s democratie, nodig in andere operaties, zoals de drone-oorlogen in Pakistan, Jemen en Afghanistan.