CIA lekte nep-bewijs over effectiviteit van martelen aan Amerikaanse kranten

Het Senaatsrapport over martelen legt ook bloot hoe de CIA media manipuleerde. Via bewust lekken werd een positief beeld van de wrede verhoren opgedrongen.

De verhoormethoden gaan ver, misschien wordt gemarteld. Maar de terreurverdachten die na 11 september in geheime CIA-gevangenissen worden vastgehouden en ondervraagd, laten informatie los waarmee, volgens een anonieme overheidsfunctionaris, „levens zijn gered en andere terroristen zijn gepakt”.

Dat schrijft journalist Douglas Jehl van The New York Times in maart 2005. Jehl citeert anonieme (voormalige) topambtenaren die daarmee iets bevestigen wat Bush nog niet openlijk toegeeft: dat de CIA vrij spel heeft. Een scoop vol onjuiste informatie, blijkt nu uit het Senaatsrapport. De omvangrijke martelpraktijken van de CIA werkten helemaal niet. Naast die en andere belangrijke bevindingen is in het rapport een opvallende rol voor de media weggelegd.

De CIA gebruikte journalisten en de journalisten lieten zich gebruiken door de CIA, blijkt. De dienst probeerde via de media een positief beeld van het martelprogramma te schetsen en zo eventuele kritiek van het Congres in te dammen. „We treden naar buiten en verkopen onze boodschap, of we worden vernietigd”, zei CIA-directeur Mudd in 2005. „De indruk van wat we doen moet positief zijn.”

De CIA werkte aan dit positieve imago door middel van een verfijnde mediastrategie, waarin de dienst nauwlettend coördineerde welke ‘geheime’ informatie er naar de pers werd ‘gelekt’ – inclusief onjuiste beweringen over de effectiviteit van het martelprogramma. Anonieme functionarissen die in gezaghebbende kranten werden opgevoerd als CIA-bronnen met gevoelige informatie lekten wat vooraf was goedgekeurd. Ook hielp de CIA onder meer mee aan Oscarfilm Zero Dark Thirty, waarin het martelen van gevangenen uiteindelijk leidt tot het vinden van Osama bin Laden.

Hetzelfde gebeurde met het boek The CIA at War: Inside the Secret Campaign Against Terror (2004) van Ronald Kessler. Net als Jehl publiceerde hij feitelijk geheime informatie, die door de CIA bewust werd verstrekt. De CIA heeft zelfs „meegeholpen aan het boek”, volgens het rapport. In het manuscript voor een ander boek voerde Kessler in 2007 op aandringen van de CIA „substantiële” wijzigingen door.

Het rapport is volgens critici een nieuw bewijs dat met name The New York Times en The Washington Post – kranten met veel primeurs over de inlichtingendiensten – te dicht aanschurken tegen de macht. Zo besloot de NY Times in 2005 tot woede van veel lezers een artikel over afluisterpraktijken van de Amerikaanse overheid wegens ‘veiligheidsredenen’ onder druk van veiligheidsdienst NSA dertien maanden uit te stellen.

Kessler zei in de Post „niet gewend te zijn om leugens te moeten verkopen”. Dat hij zijn artikelen ‘samen’ met de CIA tot een goed einde bracht is „standaard verslaggeving”, volgens Kessler.

Jehl, die inmiddels voor The Washington Post werkt, stuurde alle media die hem om een reactie vroegen, waaronder NRC Handelsblad, een verklaring. Daarin meldt hij dat hij „trots is” op wat hij en zijn collega’s destijds hebben gedaan om de „wrede ondervragingstechnieken van de CIA” bloot te leggen. „Ik ben niet geïnterviewd voor het Senaatsrapport en zal me nooit uitlaten over verslaggeving op basis van vertrouwelijke gesprekken met voormalige en huidige overheidsfunctionarissen.”