We lijken steeds meer op elkaar

Hans Eijkelboom (65) fotografeert ons al dertig jaar lang op straat. Wat blijkt? We zijn niet uniek. We zien er hetzelfde uit - van New York tot Nairobi en Arnhem.

Fotoseries uit het boek People of the Twenty-First century Foto's Hans Eijkelboom

Wat deed jij op 11 november 1996 tussen 14.45 en 15.45 uur? Beeldend kunstenaar en fotograaf Hans Eijkelboom stond toen in het centrum van Arnhem en fotografeerde tientallen mensen met felgele jassen aan, want die waren toen in. En op 30 april 2012 fotografeerde hij alle mannen die in een uur tijd met een bloot bovenlichaam door de Kalverstraat in Amsterdam liepen. Zo maakte Eijkelboom dertig jaar lang fotoseries van mensen die er op een bepaalde plek, binnen een bepaalde tijd, bijna identiek uitzagen: met omhooggetrokken kniesokken, zwarte boerka’s of met dezelfde neppe Louis Vuitton-tasjes. Mode die ons straatbeeld een tijdje tekent en dan ineens weer verdwijnt. Inmiddels heeft hij een paar duizend fotoseries gemaakt in vijftig verschillende steden. Hij bundelde een deel in zijn jongste fotoboek: People of the Twenty-First Century.

Omdat Eijkelboom al jarenlang de straatmode fotografeert weet hij veel van mode, zonder eigenlijk echt iets van mode af te weten. Zelf kleedt hij zich zoals de meeste mannen van 65: een wit shirt met een wollen, nette jas erover. Hij praat heel kalm en deftig, klinkt alsof hij in het Gooi is opgegroeid, maar komt uit Arnhem. Er komt veel in hem op terwijl hij aan het vertellen is. Bij een leuke gedachte springt hij op en maakt hij staand zijn verhaal af.

Veertien jaar geleden kocht hij een huis in de Amsterdamse Bijlmer waar hij met zijn vrouw woont. Zijn studio in de Jordaan hangt vol met beelden van zijn fotoserie. In 1972, op zijn 23ste, begon hij met fotograferen. „Ik heb mij altijd beziggehouden met vraagstukken omtrent onze identiteit. Zijn wij van onszelf of van anderen? Met die vraag begon ik ook aan deze serie.”

Wat was je eerste fotoserie op straat?

„Dat was in 1982, toen waren lange loden jassen in de mode. Al die mannen gingen een jas kopen die ze heel mooi vonden met het idee dat die jas bijna speciaal voor hen gemaakt was, dat vond ik zo mooi. Maar die loden jassen zijn wel behoorlijk lang in het modebeeld gebleven, acht jaar. Nu gaat het veel sneller, na twee jaar komt er weer iets anders waar dan veel meer mensen in lopen.”

Wat zegt het dragen van dezelfde kleding over identiteit?

„Alles, het heeft alles met identiteit te maken. Je bent een product van jezelf maar ook van je cultuur, van je omgeving. Ik ben me zo ook steeds meer gaan interesseren voor het straatbeeld, wat we daar zien is een neerslag van onze cultuur. De wereld wordt gemaakt op straat, in het hart van de samenleving. Ik word gevormd door wat er op straat of in de tram gebeurt, nog meer dan op plekken waarvan wij denken dat de cultuuroverdracht plaatsvindt zoals in het Rijksmuseum.”

Eijkelboom, geboren in 1949, groeide op in de periode van de Wederopbouw. Alles leek in die tijd fantastisch, zegt hij.

„Ik dacht toen dat de oorlog een leuk en spannend avontuur was. Oom Kees bijvoorbeeld, die was met mijn vader in Soesterberg en die zagen een bakkerskar staan en die stalen een brood uit die bakkerskar. Op iedere familieverjaardag werd dat verhaal verteld en ik begrijp dat ook wel, geen hond die tegen een kind gaat zeggen: er was ook een andere kant. Maar op een bepaald moment kom je als kind die foto’s tegen van de concentratiekampen. En ik denk dat ik een jaar of 13 moet zijn geweest dat ik daarover ging nadenken en, ja god, ik zag toen de vreemde kant van de mensheid. Je komt dan tot het besef dat je in een straat kunt wonen met vijftig mensen en dat daar tien mensen op een bepaalde dag tussenuit gehaald worden, en dat de mensen die ernaast woonden daar in feite weinig aan deden. Dan raak je als kind behoorlijk van in vertwijfeling over je omgeving. Zo begon ik ook na te denken over wie we zijn en wie ons echt bepaalt.”

Op zijn 23ste begon hij met het fotograferen van zichzelf als hoofd van verschillende soorten gezinnen. Tien jaar later stond hij wekelijks in drukke winkelstraten te fotograferen. Wanneer hij fotografeert zie je alleen een camera om zijn nek hangen. Via een draadje in zijn zak schiet hij de foto's. Niemand die het merkt.

Hoe heeft het modebeeld op straat invloed op jou?

„Als je tien jaar geleden tegen mij had gezegd, je zult ooit op sandalen lopen, dan had ik gezegd: je bent totaal gestoord. En vier jaar geleden liep ik door de stad heen en heb ik dus sandalen gekocht. Wat heeft er nou voor gezorgd dat ik heel langzaam, stapje voor stapje, klaar ben gemaakt voor het moment dat ik sandalen zou gaan kopen? Het is een fascinerend verschijnsel.”

Dan gaat de telefoon.

Eijkelboom: „Oh kut, ik moet even opnemen”… „Hallo, met Hans.”... „Oh dat is over driekwartier al. Dan ga ik nu snel door. Om 11 uur, Le Monde, ja oké, dag!”

Le Monde?

„Ik sta in de fotobijlage van Le Monde. Ze bellen me om elf uur voor een interview. Ja, het staat wereldwijd in de krant, er is al een groot artikel verschenen in The Guardian.”

In Nederland krijgt je fotoserie tot nu toe minder aandacht.

„Het klinkt raar, maar in het buitenland is er meer belangstelling voor dit project. In Nederland wordt het toch wel behoorlijk... genegeerd wil ik ook weer niet zeggen.”

Hoe komt dat?

„Dat weet ik niet. Daar heb ik geen idee over.”

„Waar was ik? O ja. Nog een voorbeeld. Ik ben voorstander van wollige wijdzittende colberts, en ik ging kortgeleden weer iets kopen. Toen heb ik een strak getailleerd colbert gekocht van hoe heet dat ook alweer? Car, car...”

...Carhartt?

„Ja precies, dat heb ik gekocht en het bleek buitengewoon hip te zijn, ik zag het op reclamebordjes hangen. Ik ga nu zelfs op mijn buik letten om in dat colbert te kunnen passen. Hoe kan dat nou? Ik begrijp dat gewoon niet.”

Voel je je op zo’n moment genaaid?

„Nee, helemaal niet omdat ik geloof dat het een universeel proces is. Daar zitten heel naïeve aspecten aan, geloof in je eigen uniciteit en weet ik veel wat allemaal. Hooguit kun je zeggen, in sommige gevallen zijn er wat mensen die redelijk goed kunnen profiteren van mijn naïviteit. Dan kun je balen van jouw naïviteit, maar niet van het proces. We zijn veel meer beïnvloedbaar dan we zelf denken.”

Verandert er iets aan hoe we onze kleding dragen?

„Ja, de laatste paar jaar wel, eigenlijk sinds de identiteit van jongeren op internet belangrijker is geworden dan in werkelijkheid. Ik denk dat ze daardoor ook op een andere manier naar kleding kijken. Ik ging vroeger naar de Kalverstraat, kocht mooie kleding, en hoopte dat een dame naar me zou kijken. Nu koop je een shirt waarop staat ‘ik zoek liefde’ - om het maar netjes te houden, want er staan soms grove dingen op - en loop je daarmee rond.”

Wat voor grove teksten op shirts kom je tegen?

„‘Ik wil neuken’. We doen geen moeite meer om met onze kleding en uitstraling iemand te verleiden.”

Denk je dan dat we steeds meer op elkaar gaan lijken?

„Ik vrees van wel, en dat komt omdat bepaalde winkelketens steeds groter worden. Door Primark zien de straten van Birmingham er precies hetzelfde uit als Arnhem. Morgen opent er een in Den Haag. Als dat in Amsterdam ook komt gaan we daar hetzelfde zien.

„Je ziet het ook buiten Europa gebeuren. In Amsterdam had ik een serie gemaakt van mensen met nummers op hun T-shirts van 1 tot 100. Toen ging ik om een andere reden fotograferen in Nairobi, en verdomd ja hoor, in Nairobi liepen ze ook met die shirts, en ook in Sao Paolo en in New York.”

Verveelt het niet om steeds weer in zo’n winkelstraat te gaan staan?

„Mijn vrouw vindt het ook belachelijk worden zo langzamerhand. En toch kan ik me er oprecht op verheugen om zaterdag naar de Kalverstraat te gaan en daar mensen te fotograferen. Het mooiste vind ik de jongens en meisjes tussen de 15 en 20 die handje handje door de straat lopen en vooral het moment dat de jongen twijfelt of hij haar hand kan pakken en het dan toch doet – ik vind dat zo mooi. Ik kan er niet om huilen als ik dat zie, maar wel bijna.”