Volgend kabinet móet steun senaat veroveren

Een kabinet formeren zonder koning, dat gaat best. Maar zonder steun van de Eerste Kamer gaat het niet.

Doe het net als de vorige keer, én doe het helemaal anders. Zo zou je de aanbevelingen voor de eerstvolgende kabinetsformatie kunnen samenvatten.

Op verzoek van de Tweede Kamer bekeek een commissie onder leiding van staatsrechtgeleerde Paul Bovend’Eert de formatie van kabinet-Rutte II, toen voor het eerst het staatshoofd – in die tijd nog koningin Beatrix – buiten de regeringsvorming werd gehouden.

Aan die noviteit wijdt de commissie veel woorden, maar haar conclusie is simpel: het ging prima zonder de koning, volgende keer weer. Met als kanttekening: Willem-Alexander zou, als staatshoofd en lid van de regering, wel wat beter geïnformeerd kunnen worden over de voortgang dan zijn moeder in 2012.

Een herhaling van de ‘methode-2012’ na de volgende parlementsverkiezingen ligt dan ook voor de hand. „De vraag is niet óf we op de ingeslagen weg verder gaan, maar hóe”, benadrukte Tweede Kamervoorzitter Anouchka van Miltenburg gistermiddag bij de presentatie van het rapport-Bovend’Eert. Die mening wordt in het parlement breed gedragen.

Opvallend zijn de opmerkingen in het rapport over een ander aspect van de formatie: de steun van de Eerste Kamer. Rutte II ging van start zonder meerderheid in de senaat – en die keuze kan het kabinet binnenkort vroegtijdig aan een einde helpen.

Weliswaar kregen VVD en PvdA in de Eerste Kamer steun van de drie ‘constructieve’ oppositiepartijen D66, ChristenUnie en SGP. Maar als die vijf partijen komend voorjaar hun krappe meerderheid in de senaat verliezen, en daar ziet het naar uit, dan wordt regeren vrijwel onmogelijk.

De commissie-Bovend’Eert formuleert wat Den Haag stiekem al begrijpt: een volgend kabinet móet verzekerd zijn van een meerderheid in de Eerste Kamer. Niet door de fractievoorzitters in de senaat bij de onderhandelingen te betrekken, want dat zou de regeringsvorming „ernstig compliceren” en de hoofdrol van de Tweede Kamer in het staatsbestel „onder druk zetten”. Maar gewoon, door te tellen: minimaal 38 senaatszetels.

In het rapport wordt duidelijk hoe lichtzinnig met dit onderwerp is omgesprongen tijdens de formatie. Twintig minuten sprak ‘verkenner’ Henk Kamp (VVD) met de toenmalige voorzitter van de Eerste Kamer, zijn partijgenoot Fred de Graaf. In dat gesprekje zei De Graaf – ook nog eens op persoonlijke titel – dat een VVD/PvdA-coalitie prima zou kunnen omdat de senaat de kabinetsplannen louter op „rechtmatigheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid”zou beoordelen – dus niet op partijpolitieke gronden.

Verder, concludeert Bovend’Eert, is het onderwerp ‘Eerste Kamer’ in de zeven weken durende formatie „niet meer aan de orde geweest”. Ook niet toen PvdA-senator Han Noten na twee weken formeren in deze krant had gewaarschuwd: „Een fractie in de Eerste Kamer zal een regering nooit aan een meerderheid helpen als haar partijgenoten in de Tweede Kamer tegen het betreffende wetsvoorstel hebben gestemd.”

De misrekening in het najaar van 2012 is een belangrijke oorzaak van de huidige penibele situatie van Rutte II. Immers: de verkiezingen voor de Provinciale Staten in maart volgend jaar, die de samenstelling van de Eerste Kamer bepalen, zijn op deze manier een referendum geworden over de toekomst van het kabinet.

De kopmannen van de coalitie erkennen dat ook. VVD-premier Rutte zal zich, tegen zijn zin, actief in de campagne mengen. Voor PvdA-leider Samsom zou een nederlaag zelfs het einde van zijn leiderschap kunnen betekenen. In Den Haag wordt aangenomen dat het vertrek van Samsom automatisch ook het einde van Rutte II betekent – zelfs als kabinet en constructieve drie op miraculeuze wijze hun meerderheid behouden.

Zo kun je de formatie van 2012 op twee manieren bekijken. Als een geslaagde staatsrechtelijke vernieuwing. Of als de geboorte van het zesde kabinet op rij dat voortijdig sneuvelt.