Niet een quotum van vrouwen maar van mannen

Vrouwen hoeven niet anders te zijn. Vinden Anieke van Leeuwen en Anniek de Ruijter.

illustratie KAP

Er is geen gebrek aan vrouwen in topfuncties in het bedrijfsleven. Er is een teveel aan mannen. Deze week wordt in de Raad van Ministers van de Europese Unie een richtlijn besproken voor een Europabreed quotum van veertig procent vrouwen in raden van toezicht van beursgenoteerde bedrijven.

Nederland is hier tegen. Duitsland heeft net een vrouwenquotum van dertig procent ingevoerd. Nederland richt zich, met op dit moment minder dan twintig procent vrouwen in raden van toezicht en ongeveer zes procent in raden van bestuur, op een vertegenwoordiging van dertig procent vrouwen in deze posities in 2016. Dat gaan we dus niet halen. Onlangs haalde daarom minister Bussemaker (OCW) het idee van een quotum opnieuw boven tafel.

Maar is een vrouwenquotum wel een goed idee? Een quotum werkt stigmatiserend; vrouwen worden erdoor gezien als excuustruus. Het idee ontstaat dat zij die functie heeft gekregen op grond van haar vrouw-zijn.

Dat is natuurlijk de omgekeerde wereld. Het zijn de mannen die in een bevoorrechte positie zitten. Vrouwen voldoen niet aan het stereotype beeld dat we bij bestuurders hebben: de witte man van rond de vijftig. Mannen die voldoen aan dit stereotype genieten sinds jaar en dag van een impliciet quotum, dus waarom zouden we dat niet gewoon expliciet maken, het is er namelijk toch al.

Het idee van een mannenquotum is wetenschappelijk ontwikkeld door Rainbow Murray die recentelijk in haar onderzoek liet zien dat vrouwenquota uiteindelijk alleen maar ten goede komen aan mannen. Zij deed onderzoek naar quota in de politiek. Dat onderzoek liet zien dat mannelijke kandidaten er voordeel aan hebben vrouwelijke kandidaten af te schilderen als excuustruzen.

Logisch eigenlijk. Daarmee gaat de discussie over vrouwenquota steeds weer over of zij het wel ‘verdienen’ te worden ‘voorgetrokken’. Terwijl de echte vraag natuurlijk is waarom mannen zo oververtegenwoordigd zijn, en waar die het eigenlijk aan verdiend hebben.

Vrouwenquota bevestigen de mannelijke standaard als maatstaf. De focus zou dus eigenlijk moeten worden omgedraaid, zodat we het erover hebben waarom mannen zo enorm zijn oververtegenwoordigd. Vrouwen en minderheden hoeven dan tenminste niet steeds het ‘anders-zijn’ ter verantwoorden. Misschien kunnen we dan ook afrekenen met het idee dat als er meer vrouwelijke bestuurders zouden komen er een beter bestuur zou komen of dat er beter toezicht zou worden gehouden.

Natuurlijk, in de afgelopen jaren zijn er meerdere voorbeelden van slecht bestuur geweest, waarbij men zich afvroeg of een verminderd testosteron gehalte in de geledingen het verschil had kunnen maken. Maar vrouwen zijn waarschijnlijk geen betere mensen dan mannen. Dat is ook niet de reden om vrouwen in besturen te willen. Het gaat om het principiële punt van gelijke behandeling en gelijke vertegenwoordiging. Gewoon omdat ieder mens recht heeft om een maatschappelijke bijdrage te leveren en om zichzelf vertegenwoordigd te zien in instituties met macht in onze maatschappij: politiek, openbaar bestuur en de top van het bedrijfsleven. Voorbeeld van zo’n gekke omdraaiing was de stopzetting van het voorkeursbeleid van de KPN. De reden, aldus het bestuur, was dat het niet voor de verwachte cultuuromslag had gezorgd.

Wacht even. Er kwamen dus meer vrouwen werken bij de KPN, waarbij er niet veel veranderde aan de cultuur in het bedrijf. En behalve dat in deze context de aangestelde vrouwen zich dus blijkbaar handhaafden volgens de heersende cultuur en prestatienorm, zouden zij dus een cultuuromslag teweeg moeten brengen voordat het gerechtvaardigd zou zijn om hun aanwezigheid na te streven.

Wat heeft dat nu te maken met de argumenten voor het instellen van een diversiteitsbeleid? Is niet de eerste reden voor zo’n beleid of voor zelfs een quotum het principe dat mannen en vrouwen van welke kleur dan ook gelijke kansen moeten hebben op de arbeidsmarkt en in het publieke leven?

Zo’n aanpak zou moeten dienen tot het bijtrekken van een om historische redenen en volgens de conventie scheefgetrokken verhouding in vertegenwoordiging. Vrouwen bij de KPN moesten daarentegen een gelijke behandeling ‘verdienen’ door de cultuur van de organisatie te verbeteren.

Hetzelfde oneigenlijke argument wordt gegeven voor vrouwenquota in de top van het bedrijfsleven, dat ze ervoor zullen zorgen dat er minder corruptie plaatsvindt en dat er beter toezicht wordt gehouden. Hoewel dat natuurlijk prijzenswaardig zou zijn, is het geen argument.

Vrouwen en minderheden hebben recht op vertegenwoordiging in en het behalen van machtsposities, gewoon omdat ze mens zijn. In plaats van een vrouwenquotum in te voeren zou er dus een quotum moeten komen voor mannen, zodat hun bevoorrechte positie ter discussie wordt gesteld en vrouwen niet steeds wordt gevraagd hun positie te verdedigen.