Manders, de man achter Dorus

Tom Manders stierf in 1972, toen hij vijftig was. De hoogtijdagen van zijn chaplineske zwerverstypetje Dorus dateren uit de jaren vijftig en zestig.

Zijn liedjes, waaronder hits als Twee motten en Zorg dat je er bij komt, laten zich nog altijd makkelijk meezingen door alle leeftijden.

Zijn praatjes maken een halve eeuw na dato echter heel wat minder indruk. En daar heeft de kleinscheepse musical Een avond met Dorus het moeilijk mee. De variététafereeltjes die aangeven hoe het eraan toe ging in Saint-Germain-des-Prés, de club die Manders runde aan het Rembrandtplein in Amsterdam, doen zelfs vrezen voor een gedateerd schuifdeurenshowtje dat de oubolligheid niet kan ontstijgen. Pas als die club geen rol in de voorstelling meer speelt, wordt de sfeer tijdlozer.

In de titelrol toont Henk Poort aan hoe zorgvuldig hij de mimiek, de loopjes en de gebaartjes van zijn grote voorbeeld heeft bestudeerd. Soms benadert hij zelfs ’s mans oogopslag, als die van een droevige hond. Dat is bewonderenswaardig. Maar een geboren clown is Poort niet. Hij speelt Dorus als een vlotte straatjongen, zonder de onweerstaanbare combinatie van brutaliteit en melancholie die Manders zelf in zijn creatie legde.

Allard Blom laat in zijn compacte script echter ook goed zien hoe Manders zich allengs niet meer van Dorus kon losmaken. In summiere, maar effectieve scènetjes vat hij leven en werken samen, waarbij de liedjes als intermezzi en illustraties dienen. En juist in die Manders-rol, zonder bolhoedje, snor en ziekenfondsbrilletje, is Henk Poort een subtiel acteur, die met grote gevoeligheid de man achter het typetje onthult – van de branie uit diens begindagen tot de uitputtingsslag die hij later moest voeren.

Zijn belangrijkste tegenspeler is Johnny Kraaijkamp, die opvalt in een groot aantal komieke typeringen. Ook hij verricht mooi millimeterwerk, geregisseerd door Eddy Habbema, in een enscenering die getuigt van overtuigende toewijding.

Maar een echte Dorus spelen, dat kan misschien niemand.