Gevraagd: nationaal museum voor de sport

De skiff van Jan Wienese. Het judopak van Anton Geesink. De spikes van Fanny Blankers-Koen. De racefietsen van Joop Zoetemelk en Leontien van Moorsel. De schaatsen van Yvonne van Gennip. Ze brachten Nederland olympische medailles en herinneren aan de topprestaties uit het verleden. Waar ze te zien zijn? Voorlopig nergens.

Uitgezonderd de roeiboot waarmee Wienese in 1968 in Mexico een gouden olympische medaille haalde. Leden van zijn vereniging De Amstel hebben de skiff dit jaar ijverig gerestaureerd, waarna hij naar het Olympisch Stadion in Amsterdam werd getransporteerd, om daar te worden geëxposeerd in het olympisch museum.

Maar het plafond van het clubgebouw van de roei- en zeilvereniging is nu de voorziene hangplek voor de gouden skiff. Want het Olympic Experience, zoals het museum in het Olympisch Stadion werd genoemd, is onlangs gesloten. Na negen jaar. Geen geld meer; NOC*NSF noch Lotto noch stadion zag nog brood in de financiering van het museum, een probeersel dat met tien- à vijftienduizend bezoekers per jaar te weinig belangstelling trok om op eigen kracht exploitabel te zijn. Misschien door zijn relatieve onbekendheid. Een museum moet zijn bestaan luid verkondigen.

Het IOC besloot dezer dagen de Olympische Spelen te vernieuwen. En het Nederlandse IOC-lid Camiel Eurlings wil de discussie heropenen om de Spelen naar Nederland te halen. Maar waar is het respect voor de historie, de liefde voor de glorie die niet mag vergaan? Het ziet er somber uit.

Als we niet uitkijken, komt het voortbestaan van het Olympisch Stadion zelf weer in gevaar, nadat het al eens eerder onder slopershamers dreigde te sneuvelen. De Amsterdamse Sportraad trok dit jaar bij de gemeente aan de bel om te wijzen op de dreigende exploitatieproblemen nu diverse contracten met bedrijven en samenwerkingspartners dit jaar en de komende jaren aflopen. Dat heeft voorlopig geholpen. In een notitie, die de raadscommissie Zorg en Sport morgen bespreekt, noemen B en W het stadion „een icoon voor de Nederlandse sport”. Voor 2015 en 2016 wil de gemeente Amsterdam financieel bijspringen; de vraag wat er daarna gebeurt, staat nog.

Sporthistoricus Jurryt van de Vooren en sportbestuurder Jan Rijpstra (tevens kersvers burgemeester van Noordwijk) deden eerder dit jaar een oproep aan minister Schippers om stappen te zetten die naar een ‘Rijksmuseum voor de Nederlandse Sport’ leiden. Ze hadden het oog laten vallen op de monumentale Citroëngarages bij het Olympisch Stadion. Die zijn, net als het Stadion, ontworpen door de architect Jan Wils en stonden te koop. Ideale accommodatie, in combinatie met het Olympisch Stadion, voor een sportmuseum. Maar helaas: de garages zijn net verkocht aan Bouwinvest en deze vastgoedbeheerder wil er, hoe vindingrijk, kantoren, horeca en winkels in vestigen. Ook al vindt het bedrijf zelf dat het een „cultuurhistorisch bijzondere locatie” in handen heeft gekregen „met een iconische uitstraling”.

Mooie woorden voor niet zulke mooie plannen.

Een nationaal sportmuseum, het blijft een goed idee. In Roosendaal, in het stadion van RBC, heeft oud-voetballer Ronald de Boer in september het ‘nationaal voetbalmuseum’ geopend. Dat museum stond eerder in Middelburg te zieltogen. Of het in Roosendaal wel lukt?

Voeg liever de memorabilia samen die de hoogtepunten van het Nederlandse voetbal, de Olympische Spelen en andere topsporten hebben opgeleverd en maak er een museum op een centraal gelegen plek van. Waar niet alleen veel te zien maar ook veel te doen is. Museumbezoek als beleving – juist met sport kan dat. In coöperatie met bedrijfsleven, NOC*NSF, sportbonden, Lotto en overheden moet het kunnen lukken. Het is op zijn minst het proberen waard.