Al veertig jaar van middelbare leeftijd

Met zijn knoestige, grote hoofd is de Zweed een karakteracteur in Hollywood en een leading man in Europa.

Hoe groot acteur Stellar Skarsgård (63) de kans acht dat hij in navolging van Liam Neeson nog een late bloei beleeft als actieheld? Microscopisch klein, vermoedt de Zweedse routinier. „Ik betwijfel of ik sexy genoeg ben, zeker na Nymphomaniac.”

Het is begin februari op de Berlinale, het filmfestival van Berlijn. Skarsgård heeft daar de afgelopen dagen gepraat over zijn rol van kluizenaar Seligman in Lars von Triers Nymphomaniac, de kuise gesprekspartner van Charlotte Gainsbourg. („De film is zo rijk met al zijn uitwijdingen, na vijf uur kijken ben je serieus bevredigd, alsof je zo’n lekkere dikke pil van Dostojevski tot je hebt genomen.”)

Veel minder veeleisend – en gênant – was zijn rol van wreker Nils Dickman in In Order of Disappearance – al waren de opnames in de Noorse hooglanden bij min twintig, met snijdende wind, „elke dag een beetje doodgaan”. „Ik kon na drie takes mijn gezicht al nauwelijks meer bewegen van de kou, wat goed uitkwam in deze rol.” En zo is Skarsgård opnieuw in competitie in Berlijn met een film van regisseur Hans Petter Moland – na in 2010 met de zwarte komedie A Somewhat Gentle Man. Opmerkelijk voor een Noorse film, vindt hij: „ Zoiets als een Saoedi-Arabiër in de finale van het skischansspringen.”

Tegenpolen

Stellan Skarsgård is in een goed humeur. Dit is al zijn vierde film met Moland. Hoe dat zo komt? „Ach, hoe gaat dat”, zucht hij. „Eerst vlinderkusjes, dan voorspel, een beetje voelen en zo gaat dat verder. We zijn elkaars tegenpolen: ik ben snel en neurotisch, hij is extreem traag. Ik zeg in 15 seconden meer dan hij in 15 minuten. Maar we moedigen elkaar aan om risico’s te nemen en we zijn na twintig jaar vriendschap in zo’n oud huwelijk beland waar je elkaars zinnen afmaakt.”

Met Moland deelt Skarsgård een pikzwart gevoel voor humor. „Om scripts die anderen als somber sociaal-realisme zien, moeten wij lachen. Ik ben dol op politiek incorrecte grappen, hoe gevaarlijk die ook mogen zijn tegenwoordig.” Die voorkeuren deelt hij ook met Lars von Trier, voor wie hij de afgelopen jaren vaak als een onbezoldigd woordvoerder fungeerde. Tegen zowel Moland als Von Trier zegt Skarsgård blindelings ja bij elke nieuwe film. „Ik vertrouw ze. Voor Nymphomaniac tekende ik voor ik een regel script had gelezen. Lars hoefde me alleen maar te beloven dat ik met slappe lul in beeld zou komen.”

Stellan Skarsgård, die al op tv debuteerde in 1968, herinnert een beetje aan Gene Hackman: zo’n onbestemd knoestig hoofd dat al zeker veertig jaar van middelbare leeftijd is. Een doorsneeman die iets bokkigs of zelfs sinisters verbergt: Hollywood cast hem graag in de rol van disfunctioneel vaderfiguur – hoekige chef, bureaucraat of wetenschapper. In 2011 speelde hij seriemoordenaar Martin Vanger in David Finchers The Girl with the Dragon Tattoo.

In Europa speelt Skarsgård eerder hoofdrollen: als de schilder Goya in Goya’s Ghosts, of bij Hans Petter Moland. Noodgedwongen, want zijn gezicht is iets te bekend geworden voor leuke bijrollen in kleine, realistische films, zegt hij een beetje spijtig. „Een film moet een voldoende mate van fictionaliteit hebben om mij te herbergen, begrijp je? Nee? Nou, stel je voor dat Robert De Niro als autoverkoper opduikt in een piepkleine film. Dan zit iedereen vijf minuten naar De Niro te kijken in plaats van de film. Daarom moet ik vaak nee zeggen, helaas.”

Muzikaal oor

Bij In Order of Disappearance begreep Skarsgård aanvankelijk niet wat voor film het werd: regisseur Moland kon het hem ook niet goed uitleggen. „Vertrouw me, zei hij. Scenarioschrijver Kim Fupz Aakeson schrijft heel grappig, maar eerder sketches dan een script. Je hebt iemand met het muzikale oor nodig om al die genres en stijlen en toonaarden tot een geheel te smeden. Stel je voor: de eerst scène die ik speelde, ontmoet ik misdaadbaron The Count. Ik doe mijn naturalistische, ingetogen ding als Nils Dickman en sta opeens tegen een kerel die all over the place is. Neurotisch, tics: ik dacht, what the fuck? Staan we wel in dezelfde film te spelen?”

Later begreep hij het. „De truc is dat zo’n personage als Dickman, die zijn wanhoop en rouw oppot op een manier die de kijker begrijpt, je als het ware meesleurt in die absurde onderwereld vol groteske types. Door hem krijgen die gangsters iets menselijks. The Count is misschien een lachwekkende psychopaat, maar ook een droevig, misbruikt kind.”

Een unieke toon: een Europese misdaadfilm kan niet zonder, denkt Skarsgård. „Je concurreert met Amerikaanse bulldozers van 150 miljoen dollar.”