‘65-plussers hebben in tien jaar tijd al 20 procent aan koopkracht ingeleverd’

Deze rubriek beoordeelt elke woensdag een bewering op waarheidsgehalte. Deze week uitlating van Henk Krol van de partij 50Plus.

De aanleiding

Henk Krol interviewde zichzelf vorige week in de nrc.next-serie ‘Ikterview’. De tijdelijke fractievoorzitter van 50Plus in de Tweede Kamer stelde zichzelf de vraag of hij niet overdreef met zijn verhalen over de ouderen als kaalgeplukte kippen. „65-plussers hebben in tien jaar tijd al 20 procent aan koopkracht ingeleverd”, antwoordde hij zichzelf.

Waar is het op gebaseerd?

Krol laat weten dat zijn uitspraak is „ontleend aan waarnemingen van het KNVG” (de koepel van gepensioneerden). Voor onderbouwing verwijst hij naar de website. Daar vinden we een rapport van het Nibud over de koopkracht van ouderen in 2014-2015.

En, klopt het?

De cijfers van het Nibud op de site van de KNVG gaan dus alleen over 2014-2015. Hieruit blijkt dat vooral ouderen met een aanvullend pensioen er in koopkracht op achteruitgaan, het meest alleenstaande AOW’ers met een aanvullend pensioen van 30.000 euro: zij gaan er 4,8 procent op achteruit. De zorgkosten zijn hierbij meegerekend.

Maar dit cijfer valt buiten de periode die we onderzoeken, aangezien Krol zei dat 65-plussers al 20 procent aan koopkracht hebben ingeleverd. We moeten dus kijken naar de cijfers vóór 2014.

Voor cijfers over langere tijd kijken we naar het CBS en het SCP. Volgens het CBS bedroeg de koopkrachtdaling voor ouderen tussen 2004 en 2013 gemiddeld 4 procent: voor alleenstaanden 1,5 en voor paren 6 procent. In de bijbehorende tabel zien we dat de koopkracht vanaf 2010 begon te dalen, met 2013 als uitschieter: oudere stelletjes gingen er in dat jaar 3,4 procent op achteruit, alleenstaanden 2,9 procent. Slecht nieuws, maar lang geen 20 procent.

Volgens het SCP gaan ouderen met een aanvullend pensioen van 10.000 euro er in de jaren 2011-2014 gemiddeld 6 procent op achteruit. Voor 65-plussers met alleen AOW is dat minder: tussen de 0,6 (alleenstaanden) en 2 (paren) procent. Maar vóór 2011, schrijft het SCP, waren ouderen ongeveer de enige groep die er niet op achteruitging. Ook hier komen we niet uit op de 20 procent van Krol.

Hoe kan het dan dat Krol wél op 20 procent uitkomt? Op ons aandringen stuurt hij een eigen berekening, gemaakt op basis van CBS-cijfers over de besteedbare inkomens van ouderen in 2003 en 2013. Die laat de koopkrachtontwikkeling zien voor verschillende leeftijdscohorten. Krol vergelijkt hier bijvoorbeeld de inkomens van 65- tot 70-jarigen in 2003 met die van 75- tot 80-jarigen in 2013, zodat het over dezelfde mensen gaat. Conclusie: een gemiddelde koopkrachtdaling van 20 procent voor alle 65-plussers.

Peter Hein van Mulligen, hoofdeconoom van het CBS, heeft op ons verzoek Krols berekening bestudeerd. Hij noemt haar interessant, maar plaatst er veel kanttekeningen bij. Wanneer hij een vergelijkbare cohortberekening maakt, ook op basis van CBS-cijfers, komt hij op een gemiddelde koopkrachtdaling van 5 procent in de periode 2004-2013.

Conclusie

Volgens het CBS is de koopkracht van ouderen de afgelopen tien jaar met 4 procent gedaald; het SCP heeft het over 0,6 tot 6 procent in de laatste vier jaar en geen daling in de jaren ervoor. Krol baseert zich voor zijn 20 procent op een andere rekenmethode, die cohorten 65-plussers vergelijkt. Volgens het CBS heeft deze berekening wat mankementen. Een vergelijkbare cohortberekening door het CBS komt uit op een gemiddelde koopkrachtdaling van 5 procent. Daarom beoordelen we de uitspraak als onwaar.