Wie het verst kan plassen? Daar deden ze in de 17de eeuw al aan

Ook in de zeventiende eeuw bestond er zoiets als een ‘erotisch leven’. Dat bewees historica Annemieke Houben, met haar bundel Vieze liedjes uit de 17de en 18de eeuw. Ze kreeg er gisteren de Gerrit Komrij-prijs voor, de prijs voor de beste popularisering van de oudere letteren.

Een herderspaar heeft het zich gemakkelijk gemaakt in de bosjes. Boekillustratie uit 'Les amours pastorales de Daphne et Chloë', eerste kwart van de achttiende eeuw.

Ook in de zeventiende-eeuw bestond er zoiets als een ‘erotisch leven’. Dat bewees historica Annemieke Houben dit jaar, met haar bundel Vieze liedjes uit de 17de en 18de eeuw. Ze kreeg er gisteren de Gerrit Komrij-prijs voor, de prijs voor de beste popularisering van de oudere letteren.

De prijs is een initiatief van Neder-L. Houbens bundel is volgens het ‘elektronisch tijdschrift’ voor de Neerlandistiek ‘een mooi boek’ dat vol staat met ‘mooie afbeeldingen van ‘viezigheid”:

‘Penissen, vagijnen, borsten, billen – wat doorgaans niet te zien is, wordt in Vieze liedjes lekker wel getoond. Tekst en beeld gaan hierdoor hand in [vul hier een geslachtsorgaan naar keuze in].’

Officiële moraal

‘Houben toont de mores en de officiële moraal’, schreef Manon Uphoff in een recensie in NRC Handelsblad over Vieze liedjes:

‘Ze helpt een wereld te ontsluiten die groter is dan die van de liedjes alleen. Hun lichte, prikkelende toon krijgt een verbinding met een gistende, kolkende werkelijkheid vol echte, levende mensen.’


Plaswedstrijd

Ook voyeurisme, zoals het begluren van plassende vrouwen, kwam voor in de zeventiende eeuw en werd in liedteksten verwerkt. Voyeurisme kwam dus niet alleen terug in ‘visuele cultuuruitingen’, schrijft Houben:

‘Ook in prozateksten, gedichten en liedjes worden vrouwen stiekem bespied door opgewonden mannen’

In hte onderstaande lied, uit Vol Soetigheydt, Ofte Amsterdamse Kermiskoeck (ca. 1678) van Uytertse Hylickmaeckers, kijkt een jonge soldaat toe terwijl drie vrouwen in Utrecht een plaswedstrijd houden.

Een kluchtig lied van drie jonge dochters die tezamen een wedspel aangaan wie van haar drieën het verste zou pissen

Vrienden luister naar dit lied,
wat er tot Utrecht is geschied
al van drie jonge bazinnen
die t’zamen een vreemde kuur
des avonds zeer laat aanvingen,
boven al op de vestmuur.

Zij kwamen en wandelden hand aan hand
terwijl ik schuilde aan een kant,
ik hoorde haar discoureren:
d’ een zei: ‘Wel juffrouw Marij,
wij moeten een klucht hanteren,
want wij zijn hier toch vrij.’

‘Wel juffrouw Claar, wat zou gij doen?’
‘Hoor, juffrouw Marij, naar mijn vermoên:
wie dat er het verste kan pissen
onder ons maagdekens drij
die zal m’ een pot wafels opdissen
alsook een rijstebrij.’

‘Wel juffrouw Clara, ik ben tevreê.’
‘Zeg, juffrouw Katrijn, wilt gij mee?’
‘Wel juffertjes, ja, in trouwe,
maar die het verste pist,
die zal men vrij moeten houwe,
ja, zonder erg of list.’

’k Luisterde toe met goed verstand,
’k hield er mijn mond toe met mijn hand,
de weddenschap werd gesloten,
daar ging er dit speeltje aan,
ik was met lusten overgoten
hoe dat dit nog zou vergaan.

Clara zet schrap haar fontinel,
en liet dat lopen alzo wel,
ik dacht zo menig keren:
‘Ma foi, dat waterschip,
daar wou ik wel in laveren,
al raakte ik op een klip.’

Toen juffrouw Clara hadde gedaan
is juffrouw Marij aan ’t werk gegaan,
haar watersluis deed zij open,
met’ kwam daar zo een vloed
van brak water overlopen.
Ik dacht in mijn gemoed:

‘O broek! Mocht ik schutmeester zijn uitroep
van die sluis haar schutdeuren fijn,
ik zou ‘er de vloed wel stoppen,
haar felle waterloop
en maken dat mij het propp

Toen was het juffrouw Katrijn haar beurt,
die met haar watermolen toen peurt
het water zo fel te malen
al uit haar binnensloot,
dat zij de prijs ging behalen
van d’ andere twee minioot.

Maar daar ontstond een groot geschil,
want ieder een winster wezen wil.
Katrijntje zei: ‘’k schoot er het verste!’
‘En ikke,’ sprak juffer Marij,
‘mijn watersluis loste het meeste!’
‘’t Raakt niet’, sprak Clara daarbij;

‘geen heeft er zo hoog als ik gepist!’
‘Katrijn,’ zei Clara, ‘gij hebt gemist;
het verste en is maar bedongen,
het hoogste dat geldt hier niet!’
Maar toen kwam ik uitgesprongen,
van haarlui ik mij zien liet.

Ik zei: ‘Wel juffertjes mij eens hoort,
ik zal er u scheiden met een woord:
Claar zal de wafelen geven,
en Kaatje de rijstebrij,
Maria de wijn daarneven
en nood er mij dan maar bij.’

Maar nauwelijks hadden ze mij gehoord
of zij pakten haar biezen voort.
Ik dorst haar niet hard na te lopen,
daarom ontglipten zij mij,
want zij waren stil weggedropen,
dus kreeg ik geen wafels of wijn.

Dit is in deze stad gebeurd,
’k heb er de drie aldaar bekeurd.
Dit liedje ging ik ervan dichten,
ik ben er een prinsen soldaat,
daarom al gij jonge wichten:
toch zulks niet meer begaat!

Annemieke Houben, Vieze liedjes uit de 17de en 18de eeuw. Uitgeverij Vantilt, 245 blz. € 19,95