Wat voor land zijn wij in het technotijdperk?

Wat is de overeenkomst tussen de politieke debatten in Den Haag over integratie, robotisering, Europa en het gas? Het zijn alle defensief gevoerde debatten, die laten zien dat verandering bij veel politici in de eerste plaats een gevoel van bedreiging losmaakt.

De laatste weken is het thema integratie weer de graadmeter geworden die laat zien wat dit betekent voor een land. Denk even aan het schoolplein. Als er partijtjes worden gemaakt, is er altijd één waar iedereen bij wil horen: daar zitten de beste, de populairste of gewoon vriendjes. Maar er is ook een partij waar niemand bij wil horen: niet hip, niet erg goed. In die groep wordt alles direct een probleem: tactiek, opstelling, omgangsvormen. Grote kans dat daar over ‘integratie’ wordt gesproken: waarom horen wij bij elkaar? Aan die kant van het schoolplein staan we nu. Het wie-zijn-wij-debat dat volgt biedt geen oplossing, maar is een symptoom van een samenleving die geen missie heeft. Wie iets te doen heeft – een wedstrijd te winnen – praat niet lang over zichzelf. Wie vooral verlies vreest, ziet kansen als problemen. Dit is al jaren de stand van de politiek: zie het debat over Europa, opkomende robots, de eindige gasvoorraad en de overgang naar een andere energievoorziening.

Is het mogelijk daar een nieuwe nationale missie tegenover te stellen? Kan de Nederlandse (Europese) samenleving nog de energie losmaken van een Chinese stad, en een economie en samenleving vormen waar mensen zo graag bij willen dat aanpassing en ambitie vanzelf spreken?

Nederland heeft een dubbelzinnig verleden van nationale missies. Gods uitverkoren protestantse natie, de ethische kolonisator en het gidsland voor internationale rechtsorde: het waren in voorbije eeuwen zelfbeelden waar de facto wel een en ander op was af te dingen – en dat gebeurt ook, terugkijkend. Wie wil, kan Nederland nu zien als een historische natie van zich superieur wanende slavenhandelaren, die de wereld regels wilde opleggen om er zelf beter van te worden. Maar deze missies leverden ook een nationale geest en dynamiek op, bepaald door tolerantie, praktische zin, en een vermogen munt te slaan uit schaarse middelen.

Waar zou een nieuwe nationale missie uit kunnen bestaan? Verrassend genoeg levert een blik op de agenda van bewindslieden al het vermoeden op van een richting.

Vrijwel wekelijks bezoeken ministers en staatssecretarissen een indrukwekkende serie technologische experimenten, variërend van nieuwe onderwijsmethoden tot afvalcentrales, van zelfrijdende auto’s tot de quantumcomputer in ontwikkeling te Delft. Bedrijven, solidariteit, relaties: alles vinden we opnieuw uit. Ook de dilemma’s worden besproken, van privacy tot de mogelijke ondergang van de politiek te midden van alle big data, die Maxim Februari hier onlangs aanwees.

Dat alles schreeuwt om politici die de technologische revolutie inbedden in een politieke visie. Sommige partijen hebben een andere agenda. De PVV is xenofobisch, de SGP streeft Gods orde na en de SP richt zich vooral op klassieke herverdeling. Maar de andere partijen, van GroenLinks tot VVD, PvdA, D66 en CDA, let niets om de technologische samenleving in het hart van hun programma te stellen.

Soms zie je flarden. ‘Vooruitgangsoptimist’ en PvdA-leider Samsom wil Nederland een „wereldspeler” maken in de energierevolutie. Onze ouders reisden naar de maan, riep hij in de Kamer, „maar wij kunnen de zon grijpen”. D66-leider Pechtold drukte deze lyriek snel de kop in, maar je kunt ook zeggen: dit is een brokje van een debat waarin je ook van D66 meer verwacht. Welke missie bindt dit land in het technotijdperk, en hoe richt je samenleving, onderwijs, politiek en economie daar zo op in, dat dit weer het clubje op het schoolplein wordt waarin iedereen mee wil spelen.