Column

Ons Vietnam

Voor een voorlichtingsfilm over de marine mag het begin bepaald frivool heten. Mooie, jonge vrouw in sexy avondjurk bezoekt marinebal in sociëteit Modderlust. Zij is een veelgevraagde danspartner voor de heren officieren. Zodat haar begeleider de hele avond weinig anders te doen staat dan aan een tafeltje wachten tot ze weer tijd voor hem heeft. We zien hem, zwaar gefrustreerd, een heel blikje Craven A-sigaretten leegroken. Zijn gezicht zien we niet – kennelijk betreft het de cameraman.

Dan komt de admiraal in beeld die – bij wijze van troost – een rondleiding langs de verschillende marineonderdelen aanbiedt. Pas daarna wordt deze in opdracht van de marine in Nederlands-Indië in 1939 vervaardigde film een gewone voorlichtingsfilm – vol fotogenieke en duidelijk van zichzelf overtuigde marinemensen, dat wel natuurlijk.

’t Sal waerachtig wel gaen is een van de films waarvan fragmenten te zien zijn op de site van Beeld en Geluid, de onvolprezen instelling in Hilversum die als omroeparchief begon en zich heeft ontwikkeld tot een van de onontbeerlijke schatkamers van Nederlands audiovisueel erfgoed.

Aanleiding tot de inrichting van maar liefst drie verzamelingen Indiëfilms op hun site is het verschijnen van de dissertatie Een voorbeeldige kolonie van Gerda Jansen Hendriks – over de geschiedenis van in opdracht van, of onder betrokkenheid van de overheid gemaakte films over Nederlands-Indië vanaf 1912.

De auteur vraagt zich met name af, in hoeverre het gegeven dat die films Nederlands-Indië uiteraard vooral van de constructieve, zonnige koloniale kant bekeken, ons historische beeld van de grote kolonie in de Oost niet te veel in rooskleurige zin beïnvloed hebben.

Dat gaat dan met name op voor de filmische weergave van de Politionele Acties van de jaren 1940, onze laatste grote koloniale oorlog. Die was verpakt als een soort terreurbestrijding en wordt in de films ook als zodanig getoond – tot juichende inlanders aan toe die hun Nederlandse ‘bevrijders’ toejuichen. Gevechtshandelingen blijven zorgvuldig buiten beeld, om over door Nederlandse militairen begane oorlogsmisdaden nog maar te zwijgen. Van ons eigen ‘Vietnam’ bestaat nauwelijks adequaat beeld, in tegenstelling tot het Amerikaanse.

Maar ja, hoe gaat dat. Mij viel in al die fragmenten op de site van Beeld en Geluid dus vooral een bijzaak op: die suggestie van frivoliteit en promiscuïteit. Niet voor het eerst trouwens: toen de kunstenaar Aernout Mik in 2012 een installatie maakte met found footage uit de collectie van EYE, maakte hij uitvoerig gebruik van door Nederlandse kolonialen in Indië vervaardigde amateurfilms. Die betroffen uiteraard veelal hoogtepunten in het bestaan: de gezelligheid, de feestjes. En net als uit de marinefilm dook daarin een beeld op van grote vreugde: veel lachen, veel drank en – denk je onwillekeurig – veel seks.

Zo bezien is het toch een beetje jammer dat Nederland zijn koloniale dimensie heeft verloren. Maar misschien is dat beeld ook wel overtrokken en overheerste in Indië het tranendal.

Zo, en dan nu weer de verzwegen oorlogsmisdaden.