Merckx & Ickx Eddy & Jacky

‘De kannibaal’ en de gentleman: wielrenner Eddy Merckx en autocoureur Jacky Ickx. De twee Belgische sporthelden worden zeventig en daarom pakt Brussel uit met een expositie waar je het angstzweet van een coureur kunt ruiken.

‘Hij gaat me vermoorden. Ge weet nooit wat achter de bocht wacht. De dood of de roem? De berg is eeuwig, maar een renner verslijt.” Aan het woord is wielrenner Eddy Merckx in een film die wordt vertoond op een Brusselse tentoonstelling gewijd aan hem en zijn vriend, autocoureur Jacky Ickx. Allebei worden ze zeventig – Ickx in januari, Merckx in juni – vandaar het eerbetoon. Maar bij de feestelijke opening van de expositie staan de twee Belgische sporticonen op het podium te glunderen als veelbelovende talenten die slechts jeugdige hoogmoed kennen en van de val nog nooit hebben gehoord.

Merckx, met de allure van Bryan Ferry en de gulzige mond van Jacques Brel, is nog altijd de jongen van het volk. „De sport is veranderd, in mijn tijd hadden media nog niet zo’n grote impact”, zegt de legendarische renner. Hij vermorzelde records en tegenstanders. Maar met een poeslief gezicht zegt hij: „Wij waren nog profs met een amateurhart.”

Ickx, in strak pak, is de afstandelijke heer met adellijke trekken. Talloze keren aan de dood ontsnapt, maar geen schrammetje te zien. „Geef mij eens héél snel het woord”, beveelt Ickx, terwijl hij de microfoon wegkaapt voor de neus van Merckx. „Ik ben een paar maanden ouder dan jij, weet je nog!” Gelach in de zaal. In België durft alleen Ickx Merckx in de rede te vallen.

Tegenpolen

Eddy de Kannibaal en Jacky de Gentleman, wat bindt die twee tegenpolen?

„Ze hebben allebei de dood in de ogen gezien, dan sta je dicht bij elkaar”, zegt de Belgische fotograaf Stephan Vanfleteren die speciaal voor de expositie korte films maakte. Met Ickx, die na zijn Formule 1-jaren zijn loopbaan afsloot met races in de rally Parijs-Dakar, trok de fotograaf naar de Afrikaanse woestijn. Merckx portretteerde hij tegen de flanken van de berg Tre Cime in de Italiaanse Dolomieten.

Van de 1.800 wedstrijden die Merckx van 1961 tot 1978 reed won hij er 525, waaronder vijf keer de Tour de France en vijf keer de Italiaanse Giro. 420.000 kilometer legde hij af, omgerekend: ruim tien keer om de aarde. Ontzag voor niemand, behalve voor ‘den berg’.

Dat merkt Vanfleteren als hij Merckx in de Dolomieten interviewt. De plots wat gebroken, gevoelige stem van Merckx lardeert de beelden van ijzingwekkende afdalingen. „Daarboven verdwijnt de zuurstof, ge krijgt uw longen niet meer gevuld. Uw verstand kan niet meer volgen omdat de pijn zo groot is.”

Vanfleteren, zelf inmiddels uitgegroeid tot icoon van de Belgische fotografie, voelt zich klein in de buurt van Merckx en Ickx. „Het zijn toch onze godenzonen. Zij kennen de fragiliteit van het leven, ze weten hoe het voelt als iemand naast je valt en sterft.”

Zijn intense films en de uitgestalde attributen maken van 70 jaar Merckx/Ickx een expositie waar je het angstzweet van een coureur kunt ruiken. Vooral tijdens Ickx’ loopbaan lag de dood altijd op de loer. „Als ik voor een raceweekend thuis de voordeur dicht deed, vroeg ik me af: zal ik er zondagavond wel zijn om ‘m weer open te doen?” Ickx overleefde „dankzij mijn bewaarengel.”

De vlammenzee van Jarama

De bewaarengel is op de expositie niet te zien; wél Ickx’ gehavende helm die hij in 1970 droeg tijdens de Grote Prijs van Spanje die eindigde in ‘de Vlammenzee van Jarama’. Ickx’ Ferrari wordt in de tweede ronde in de flank geraakt door de BRM van Jackie Oliver, nota bene zijn racemaat waarmee hij een jaar eerder nog de 24 Uur van Le Mans had gewonnen. De twee auto’s verdwijnen in een vuurzee. De verstikking nabij weten ze zich allebei ternauwernood los te maken uit hun brandende wagens.

Op de expositie is een ‘belevingskamer’ gewijd aan het drama: rond de sacraal opgestelde helm prijken de namen van Bruce McLaren, Piers Courage, Jochen Rindt en andere collega’s die Ickx in de Formule 1 zag sterven.

Na Jarama een stapje terugdoen? Ickx nam drie weken om te herstellen van zijn brandwonden en verscheen al weer aan de start van de volgende race, in Monaco.

In datzelfde belastingparadijs Monaco heeft hij zich nu teruggetrokken, met zijn derde vrouw, de Burundese zangeres Khadja Nin. Zes keer won hij ‘Le Mans’, waarvan één keer met de Nederlandse jonkheer Gijs van Lennep als co-coureur.

„Autoracen is toch een beetje voor de chic”, zegt Vanfleteren die Ickx een paar keer bezocht in Monaco. „Jacky flaneert daar heel mooi door de straten, hij past daar perfect. Eddy woonde er ook even, maar bleef al die tijd toch de bereikbare gewone man.” In 1978 stapte Merckx voorgoed van zijn fiets. Het lichaam was afgebeuld.

Bij de perspresentatie kijken drie volwassen wielerjournalisten met open mond naar Vanfleterens Merckx-film. „De berg doet me pijn, maar de anderen nog meer”, klinkt de bezwerende stem van de Kannibaal. „De berg maakte anderen kapot, maar gij zijt nog goe.”

‘Merckxiaans’, noemt de Belg tegenwoordig een prestatie die zó uniek en extreem is dat andere woorden tekortschieten. Of hij trots is dat hij de Nederlandse taal heeft verrijkt met dat adjectief, vraag ik Merckx op de expositie. „Wa betekent dat dan? Ik heb da niet verzonnen. Hoezo schieten woorden tekort? Ik ben niet van een andere planeet. Ik ben gewoon een man van België.”

Merckx legt zijn handen op zijn bovenbenen. „Die twee hebben het echte werk gedaan.”