Meer kinderen met autisme na zwangerschapsvergiftiging

De hersenschade van een te kleine en lichte baby na zwangerschapsvergiftiging vergroot de kans op autisme.

Aanstaande moeders die zwangerschapsvergiftiging krijgen hebben een verdubbelde kans op een kind met autisme. Is de vergiftiging ernstig, dan is de kans zelfs vijf keer zo hoog. Dat rolt uit een onderzoek naar de genetische en omgevingsoorzaken van autisme aan de University of California in Davis. De publicatie is gisteren online verschenen in het tijdschrift JAMA Pediatrics.

Zwangerschapsvergiftiging (pre-eclampsie is de medische term) ontstaat als de placenta onvoldoende groeit. Daar zijn meerdere oorzaken voor. Soms ontwikkelt de zwangere een afweerreactie tegen eiwitten van haar kind. Er zijn ook genetische oorzaken. Baby’s die uit zo’n zwangerschap geboren worden zijn vaak relatief klein en licht. Dat betekent dat er hersenschade kan zijn. En dat de kinderen een ontwikkelingsachterstand kunnen oplopen.

De ziekte komt meestal na de 20ste zwangerschapsweek aan het licht, met hoge bloeddruk, kortademigheid, vochtophoping en eiwitlekkage van de nieren. In ernstige vorm is de ziekte levensbedreigend voor de moeder en de baby. De enige oplossing is het kind geboren laten worden. Hogere leeftijd, overgewicht en suikerziekte verhogen de kans op pre-eclampsie.

Er is jarenlang discussie geweest over de vraag of pre-eclampsie de kans op autisme verhoogt.

De auteurs van de nieuwe studie schrijven dat voor 2007 nog onzekerheid bestond over pre-eclampsie en autisme. De onderzoeken waren van slechte kwaliteit. Vanaf 2009 zijn vier andere onderzoeken uitgekomen die allemaal pre-eclampsie als mogelijke oorzaak voor autisme aanwijzen.

Dit betekent allemaal niet dat pre-eclampsie dé oorzaak van autisme is – en het is ook geen erg belangrijke oorzaak. Van de ruim 500 kinderen met een autismespectrumstoornis in het onderzoek, had 7,7 procent van de moeders zwangerschapsvergiftiging.