Column

Lekker speculeren? Niet met museumgeld

Het is maar een vraag.. Hoe zou D.G. van Beuningen, mede naamgever van Boijmans Van Beuningen, gereageerd hebben op de optietransactie, waarmee het Rotterdamse museum naar liefst 123.000 euro verdiende? Van Beuningen (1877-1955) was een geharde ondernemer, die samen met zijn compagnon Frits Fentener van Vlissingen, de kolenhandel met Duitsland regisseerde. Hij was een doener. In de haven. In de stad, zoals de aanleg van stadion Feijenoord. Een kunstverzamelaar.

In zijn Van Beuningen biografie Grootvorst aan de Maas schetst Harry van Wijnen ook een van de pijnlijkste ervaringen van verzamelaar Van Beuningen. Een keur van museumdirecteuren was overweldigd door de nieuwste vondst van een tot dan toe vrijwel onbekende man, die eerst de Emmaüsgangers van Johannes Vermeer had ontdekt. Nu bood hij het Laatste Avondmaal aan. De kenners waren verrukt, schrijft Van Wijnen. Van Beuningen betaalde 1,6 miljoen gulden. Iedereen bleek genept. Een vervalsing. Door Han van Meegeren. Twee vondsten, dat was te mooi om waar te zijn, maar zij wilden er in geloven.

Zo gaat dat soms met mooie dingen. Mooie overnames. Mooie vrouwen. Mooie sculpturen, zoals de Rosso waarop Boijmans-directeur Sjarel Ex zijn zinnen had gezet.

Om de aankoop daarvan (2,5 miljoen in dollars) rond te krijgen sloot de directie, met fiat van de raad van toezicht, een optietransactie. Men dacht gebruik te maken van de lage dollarkoers om een vluggertje op de valutamarkt te maken en euro’s te verdienen. Grote verleiding. Wie wil niet (bijna) gratis geld verdienen?

Maar museumdirecteuren moeten dat laten, met steun van hun raad van toezicht. Zij moeten niet op hun handen blijven zitten uit angst iets fout te doen. Vind sponsoren, gulle gevers, vaste bezoekers, goede doelen die cultuur steunen.

Financieel avonturisme is geen voorbeeld van „goed Rotterdams zakendoen”, zoals voorzitter Jan Loorbach van de raad van toezicht in deze krant zei. Een museum moet zakelijk worden geleid, maar is daarmee nog geen bedrijf.

Directie en toezichthouders werken niet met hun eigen geld en hun eigen bezit, maar met subsidies en met kunst die de samenleving aan hen heeft toevertrouwd. Het museum moet met die middelen zijn taken (tentoonstelling, educatie, verheffing, waardebehoud) naar behoren uitvoeren, in de wetenschap dat het een afhankelijkheidsrelatie is. Bij een tegenvaller, kan het museum niet een pronkstuk verkopen om het gat te dichten, zoals een bedrijf wat vastgoed van de hand kan doen.

Een museum heeft geen klanten, zoals een bedrijf, die gemakkelijk overstappen naar een ander product. De achterban van Boijmans Van Beuningen bestaat ook niet uit aandeelhouders, maar uit burgers. Om dan 22.000 euro te besteden aan dat optiecontract, terwijl het héle kunstaankoopbudget maar 50.000 euro is, lijkt me een wanverhouding.

Directie en toezichtouders werken met publiek bezit op basis van andermans vertrouwen. Zij hebben tegenover hen, de burgers en de gemeente, een zogeheten fiduciairy duty, zoals dat in de Verenigde Staten heet. Als zij optietransacties entameren, moeten zij twee zaken voor ogen houden. Doen zij dit met hun eigen geld ook? En hoe leggen zij het hun kinderen uit als het op de voorpagina van een krant komt. Dat laatste criterium is een vrije vertaling van de zienswijze van superbelegger Warren Buffett. Als het antwoord op een van beide vragen nee is, of onduidelijk, is het simpel. Niet doen.