Het label zwakbegaafd is geen oplossing

Laaggeletterden zou je zwakbegaafd kunnen noemen, schreef Maxim Februari. Dat is geen oplossing van het probleem, betoogt Stijn van Gils.

E en iel boompje was het; nog geen twaalf meter hoog. Ik bekeek mijn pruttelende kettingzaag. Het zweet brak me uit. In theorie wist ik precies wat ik moest doen, maar eenmaal in beschermende kleding ontpopte ik me als prutser. De boom viel de verkeerde kant op. Een breed scala aan dergelijke mislukkingen volgden elkaar snel op.

Het lukte mij niet om te voldoen aan de verwachtingen. Ik vond mijzelf dom en nutteloos. In het onderscheid tussen mensen die wel iemand zijn en mensen die niet iemand zijn, zou ik mijzelf zeker in de laatste categorie plaatsen. Officiële aanduidingen als manueel onderontwikkeld of zwakpraktisch zouden – hoewel terecht – mijn zelfvertrouwen nog verder de grond in boren. Toch is dat min of meer wat Maxim Februari in zijn column van 3 december voorstelt. „Dat lijkt me een verlegenheidsoplossing [deze mensen laaggeletterd noemen]”, zegt hij, „Zwakbegaafden is een betere term.” Precies daarmee diskwalificeert hij een groep mensen.

Veel mensen, want iedereen met een IQ tussen de 70 en 85 wordt door het Sociaal en Cultureel Planbureau (CPB) gedefinieerd als zwakbegaafd. Dat zijn – volgens diezelfde organisatie – 2,2 miljoen Nederlanders. Daarmee wordt één op de acht Nederlanders in een uitzonderingspositie geplaatst. Ik vind dat een gevaarlijke ontwikkeling, want zo’n label plaatst systemen boven mensen. Het rechtvaardigt een samenleving van IBAN-nummers, gedeeltelijke restitutiepolissen en quasionafhankelijke vergelijkingssites. Dat deze systemen voor veel Nederlanders onnavolgbaar zijn, is niet langer een systeemfout. Nee, het ligt aan de mensen, in CPB-rapporten zorgvuldig geclassificeerd als zwakbegaafden.

Dat een kwalificatie mensen afschrijft, demonstreert Februari ook in zijn eigen column: „Als je het mij vraagt, gaat het best goed met de onderlinge verhoudingen in dit drukbevolkte land.” Februari bevraagt alleen zichzelf. Zwakbegaafden kunnen – zo betoogt Februari – het maatschappelijke debat immers toch niet volgen. Het benoemen van problemen is blijkbaar voorbehouden aan de mensen die dat probleem ook elegant weten te definiëren.

Ondertussen bestaat volgens de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling een duidelijk onderscheid tussen winnaars en verliezers. Volgens de raad vormt opleidingsniveau – naar intelligentie zelf is niet gekeken – een scheidslijn door de samenleving en zien vooral de lageropgeleiden hun toekomst somberder in.

Ik vind dat schrijnend. Ik ben het volledig met Februari eens dat mensen verschillen in analysecapaciteiten. Het is een illusie te denken dat scholing ervoor zorgt dat elke burger dezelfde abstractie aankan. Door deze verwachting als samenleving wel uit te spreken, worden mensen niet geaccepteerd zoals ze zijn en dat is een probleem. Maar de kwalificatie zwakbegaafd is een ander uiterste. Het drijft mensen onnodig in een hoek.

Mijn persoonlijke oplossing bestond niet uit een label, maar uit een systeemwijziging. Ik functioneerde niet in het praktisch systeem van motorzagen en beschermkleding. Inmiddels werk ik in een abstracter milieu waarin ik mijzelf aanzienlijk nuttiger voel.

Ik gun de Nederlanders die niet in onze steeds complexere maatschappij passen hetzelfde. Ik woon liever in een wat eenvoudiger Nederland dan in een samenleving waarin een groot deel zwakbegaafd genoemd wordt.