Geen werk, wel bijstand

De Haagse bijstandstrekker die sinds 2010 een uitkering ontvangt, maar één dag in de week naar zijn partner en kinderen in België gaat, dacht zich aan de regels te houden. Van maandag tot en met zaterdag was hij beschikbaar voor de arbeidsmarkt. Zaterdagmiddag reisde hij af naar België, zondagavond was hij terug.

Daar dacht de gemeente Den Haag anders over. Met dat verblijf van die ene zondag per week in België, handelde hij in strijd met het in de wet opgenomen ‘territorialiteitsbeginsel’. Alle zondagen bij elkaar opgeteld, verbleef hij langer dan een maand per jaar in het buitenland en dat was voldoende voor een korting op zijn bijstand ter hoogte van één dag in de week. De man moest die korting over drie jaar met terugwerkende kracht terugbetalen.

De rechtbank stelde de gemeente in het gelijk. Een beroep van de man op humanitaire omstandigheden, zoals vastgelegd in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, werd afgewezen. De gemeente hoefde het hem niet financieel mogelijk te maken zijn kinderen in België te bezoeken.

In hoger beroep oordeelde de Centrale Raad van Beroep anders. De Wet Werk en Bijstand (WWB) stelt volgens de Raad weliswaar eisen aan de woon- en verblijfsplaats van een bijstandstrekker en aan diens verblijfsduur in het buitenland, maar dat is om het recht op bijstand te controleren en inschakeling in het arbeidsproces niet te frustreren. Omdat deze man zes dagen controleerbaar beschikbaar is voor de arbeidsmarkt, „heeft hij zich niet onttrokken aan een juiste uitvoering van de WWB”, aldus de Raad.