Column

Die marketingtruc van Engelen was een denkfout

Vier jaar geleden hield actrice Joan Nederlof tijdens het Nederlands Theater Festival een toespraak tot haar collega’s. De theaterwereld, zei ze, had weinig verbinding meer met de rest van de wereld. Intussen haalden theaters wel alles uit de kast om zoveel mogelijk mensen naar binnen te lokken. ‘Voorstellingen met eten, gratis voorstellingen met eten.’ In mijn herinnering sprak Nederlof zelfs over ‘gratis eten zonder voorstellingen’. Alles voor de kunst.

Dat was op zich prima, zei Nederlof, maar juist door al dat gehengel naar aandacht, dat geflyer en die hele ‘publicitaire infrastructuur’, verdween uit het theater de betrokkenheid op de samenleving. Er ontstond een consensus dat een stuk pas bestaansrecht heeft als veel mensen ernaar komen kijken, en die gedachte werd norm en kwaliteitskeurmerk ineen. Voor de democratische functie die kunst heeft, was dat niet best. Hoe meer mensen naar binnen werden gelokt, hoe minder het nog ging om de mens en zijn plaats in de wereld.

Nu bevalt de actrice Nederlof mij – ik volg gehoorzaam alles wat ze doet – en zo kwam het dat ik afgelopen week haar monoloog Sinaasappelstraat ging zien. In de gedaante van haar overleden grootmoeder plaatste ze ditmaal kanttekeningen bij haar eigen analyse. Kleindochter Nederlof mocht zich dan zorgen maken om de staat van de democratie, zei grootmoeder Van Dam, maar wat deed ze eigenlijk zelf om die democratie levendig te houden? Ja, theater maken. Nogal wiedes, dat was haar vak.

Het was een lastige situatie. Kleindochter vol hedendaags en progressief gesomber. Grootmoeder daadkrachtig en opgewekt, maar dood. Welk van de twee personages moest je kiezen en hoe redde de theatermaker zich hieruit? Achter in de zaal probeerde ik als publiek mijn democratische plicht te doen door mee te denken. In een democratie moeten kunst, wetenschap en journalistiek kritisch blijven, en de burger ook, opdat een onbehouwen meerderheid niet aan de haal gaat met de macht.

Zo zat ik daar kritisch te wezen en ik bedacht opeens dat ik toch nog één ding wilde schrijven over de onhandige lijst met booswichten die Ewald Engelen in zijn boek heeft afgedrukt. Ja, er is al veel te veel over geschreven, maar dat ene ding nog niet. Ik bedacht namelijk dat de marketingtruc van auteur en uitgever bepaald geen doodzonde was, maar wel een denkfout.

Hooggeleerde verdedigers van Engelen die opriepen in te gaan op ‘de inhoud’ van het boek, niet op de gimmick van de namenlijst, begrepen niet dat gimmick en inhoud elkaar raakten. Als je in je boek zoekt naar een ‘minder financieel afhankelijk groeimodel’, als je afgeeft op een ‘parasitaire roversbende’ en ‘zakkenvullers’, als je anderen ervan beschuldigt alles te doen voor het geld, dan moet je zelf geen onzinlijst in het boek stoppen om het beter te verkopen. De marketingtruc was een denkfout zoals al die reclamepraatjes van theaters en universiteiten en redacties denkfouten zijn. Gratis eten zonder voorstelling: je trekt er publiek mee. En dus doe je precies hetzelfde als de sectoren die je op grond van je democratische functie kritisch onder het vergrootglas zou moeten leggen. Om het punt van Joan Nederlof maar eens met retorische overdrijving samen te vatten: hoe meer mensen je met je praatjes naar binnen lokt, hoe slechter voor de democratie.

Terwijl ik zat te somberen dat de waakhonden van de democratie in de greep zijn van het flyeren, was de grootmoeder van Nederlof vol goede moed. De kleindochter koos voor de eigentijdse aanpak: ze verdiepte zich in het denken. De grootmoeder ging met de noblesse oblige houding van de ouderwetse sociaal-democrate aan de slag, ze belde rond en zette zich onbezoldigd in.

En daarmee, met deze combinatie van denken en doen, lag de democratische taak duidelijk voor ons. Je kunt wel tegen banken en politieke partijen aanblaffen, maar de democratie is ook afhankelijk van je eigen gedrag. Na afloop van de voorstelling liep ik over straat met de verplichting ‘gezamenlijk een oplossing te zoeken voor een gezamenlijk probleem in de publieke ruimte’. Fijn, wat zou ik eens gaan doen?

Dat was nog niet zo eenvoudig. Ik kon de democratie helpen door een stukje te schrijven, maar ja, lekker makkelijk, dat is mijn vak. Ik kon mezelf als waakhond deconstrueren – ‘vertrouw mij maar niet’ – maar daarmee werd ik een soort Drosteverpleegster van de maatschappijkritiek. Uiteindelijk realiseerde ik me dat de andere theaterbezoekers uit pure betrokkenheid naar de kleine zaal waren gekomen; ze kregen niets te eten, en ze zaten daar toch. Ik besloot gewoon dit simpele feit op te schrijven. Zodat academische uitgeverijen, universiteiten en actualiteitenredacties weten dat het niet altijd gaat om gratis eten zonder voorstelling.