De gebakken eieren van Dmitri Sjostakovitsj

Redacteur Merlijn Kerkhof (28) laat iedere dinsdag zien wat de schoonheid van klassieke muziek is. Vandaag: de veelzijdigheid van Sjostakovitsj.

Illustratie Anna Klevan

Het is niet zo dat ik graag superlatieven gebruik, maar soms kun je er niet onderuit. Wanneer ik het over Dmitri Sjostakovitsj heb bijvoorbeeld. Een Rus die muziek schreef met de grootste emotionele zeggingskracht. Een briljante componist met een geheel eigen klanktaal, vol lyriek, lange, uitgesponnen lijnen en ongemakkelijke wendingen. Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975) was de grootste symfonieëncomponist uit de twintigste eeuw.

Vijftien schreef hij er. Sjostakovitsj ging ermee door toen het genre van de symfonie in West-Europa (na de Tweede Wereldoorlog) al lang uit de mode was.

De muziek van Sjostakovitsj kun je niet begrijpen zonder kennis van de omstandigheden waarin hij werkte. Al jong was hij succesvol als pianist. Zijn opera Lady MacBeth uit het District Mtsensk (1932) werd een hit. Maar toen Stalin in 1936 het duistere werk over moord en verkrachting bezocht, was hij niet enthousiast. Er verscheen een negatieve kritiek in staatskrant Pravda. De muziek zou onbegrijpelijk zijn. De opera mocht niet meer worden opgevoerd.

Zijn hele carrière heeft hij rekening moeten houden met de grillen van het Sovjetbewind. Volgens de overlevering sliep hij met een ingepakt koffertje onder zijn bed – hij kon immers altijd worden opgepakt. Zijn antwoord na de kritiek op zijn opera kwam met zijn Vijfde symfonie (1937) – een toegankelijk stuk, vol mooiigheid, én met de door het regime gewenste monumentaliteit en heroïek van het socialistisch realisme.

Het is één van de grote vragen die rijzen als het over Sjostakovitsj gaat. Deed hij concessies? En zo ja, is het dan mindere kunst? Tegelijkertijd wordt in zijn muziek altijd gezocht naar kritiek op het regime. Is die overwinningshymne in het laatste deel van de Vijfde geen parodie?

Een van zijn meest indrukwekkende stukken is zijn Zevende symfonie, over het beleg van Leningrad. In het eerste deel klinkt een mars, begeleid door snaredrums – een vrolijke, eenvoudige melodie. Maar de mars zwelt aan – zoals de nazitroepen die Leningrad naderen – en mondt uit in een kakofonie. Dan nemen de klanken van radeloosheid het over. De strijkers klinken vaak als één groot blok. De hobo’s en fluiten: hoog en op hun schelst. Door de toevoeging van de piano en de xylofoon krijgt de mars iets koddigs. Alsof hij de spot drijft met de nazi’s.

Het is trouwens niet allemaal zo zwaar wat hij schreef. Hij maakte ook amusements- en filmmuziek. Het bekendste stuk van Sjostakovitsj valt in die categorie. Violist/entertainer André Rieu maakte van een donker walsje (nu bekend als ‘The Second Waltz’) uit de Suite voor varietéorkest zijn handelsmerk, en het dook op in de laatste film van Stanley Kubrick, Eyes Wide Shut.

Het is jammer dat over die muziek vaak geoordeeld wordt alsof het om tweederangs-Sjostakovitsj gaat. Natuurlijk heeft het niet het gewicht van een strijkkwartet, maar het is wel goed in zijn soort. Een ei gebakken door een chef met drie Michelinsterren achter zijn naam is misschien maar een gebakken ei, maar wel een goed gebakken ei.

Toch word ik gelukkiger van zijn Eerste celloconcert (dat openingsdeel: het is beukende metal, een jankende cello die het opneemt tegen een pompend ensemble). Of zijn Tweede pianoconcert, met een oogwenk naar de barok en een thema waar je meteen verliefd op wordt. Het tekent zijn veelzijdigheid. En toch is alles even herkenbaar als Sjostakovitsj.