Afnemen paspoort helpt de jihadisten

Wanneer de overheid de paspoorten intrekt van Nederlandse strijders in Syrië en Irak, vergroot dat de kans op een carrière als doorwinterde jihadist die ook in toekomstige conflicten zal opduiken, betoogt Bram Peeters.

llustratie Bill Day

‘Wil je naar Syrië? Ga maar!’ zei burgemeester Aboutaleb van Rotterdam, die hier aan toe voegde dat er dan ook ‘geen weg meer terug’ is. Dit staat haaks op de eis van de VN-Veiligheidsraad dat landen krachtige wetgeving moeten aannemen om vertrek te voorkomen. Minister Opstelten van Veiligheid en Justitie onderzoekt de mogelijkheden van een uitreisverbod voor mensen ‘met een terroristische bedoeling’.

Toch zorgt de overheid er nu wel degelijk voor dat er voor sommige jihadisten geen weg meer terug is. Eind september werd het paspoort van de Nederlandse jihadstrijder Muhajiri Sháám vervallen verklaard. Eerder dit jaar werden paspoorten ingetrokken van acht geradicaliseerde Nederlandse moslims die als jihadist naar Syrië wilden vertrekken of dat al een keer hadden gedaan, maar Sháám, aangesloten bij het aan al-Qaeda gelieerde al-Nusra Front, zat nog in Syrië. Inmiddels zijn er zeker 49 paspoorten ingenomen van mensen met uitreisplannen, maar ook van Nederlanders die al in Syrië of Irak zitten.

Wat betekent dit voor de toekomst van de Nederlandse strijder die niet terug kan naar zijn land? Het is niet de eerste keer dat overheden trachtten terugkeer van jihadisten te beletten. De Muslim foreign fighter maakte zijn debuut in Afghanistan in de jaren tachtig toen duizenden Arabieren daarheen afreisden om in naam van religieuze solidariteit mee te vechten tegen de Sovjet-troepen. Na de val van het communistische regime in Kabul keerden velen weer huiswaarts. Maar voor een grote groep strijders werd dit onmogelijk gemaakt.

Terwijl hun regeringen over het algemeen hun zegen hadden gegeven voor vertrek naar Afghanistan, vreesden diezelfde overheden dat de veteranen na thuiskomst een bedreiging vormden met hun militaire ervaring en fundamentalistische wereldblik. Noordwest-Afrikaanse landen maar ook Egypte en Jordanië ondernamen stappen om te voorkomen dat strijders zouden terugkeren en zich zouden aansluiten bij de radicale Islamitische oppositie. Blijven was echter ook geen optie, want de Pakistaanse overheid sloot begin jaren negentig de schuilplaatsen en trainingskampen waarvandaan Arabische strijders de Afghaanse grens overstaken.

Door hen simpelweg de toegang te weigeren, werden deze strijders in de woorden van de Amerikaanse onderzoeker Lawrence Wright ‘a stateless, vagrant mob of religious mercenaries’. De ontheemde strijders waren dus na hun eerste ‘tour of duty’ in Afghanistan in feite beschikbaar of zelfs op zoek naar een nieuwe missie om de transnationale jihad te continueren. ‘Wie betrokken was bij deze ervaring had de vurige wens dat Allah hen de Jihad zou laten voortzetten tot hun dood’, zei de Saoedische jihadist Abu Abdel Aziz. Deze voortzetting vonden ze in Bosnië waar tussen 1992 en 1995 naar schatting 3000 buitenlandse jihadisten, veelal Arabische Afghanistan-veteranen, de Bosnische moslims hielpen in hun strijd tegen de Serven.

Door hun ervaring in Afghanistan boekten de buitenlanders in Bosnië militaire successen die grote invloed hadden op het verloop van de oorlog. De hierboven genoemde Aziz, beter bekend onder zijn nom de guerre Emir Barbaros gaf leiding aan de groep genaamd Kateebat al Mujahidin die volledig was opgenomen in de Bosnische bevelstructuur en wiens leiders werden erkend en betaald als officieren. De buitenlandse jihadisten werden bewonderd om hun moed en hun vermogen om angst aan te jagen bij de Servische milities. Na afloop van de oorlog werden veel strijders dan ook beloond met het Bosnisch burgerschap wat recht inging tegen de wens van Amerika, die de strijders zag als een bedreiging voor de eigen manschappen en daarom had geëist dat ze uitgezet zouden worden.

De strijders die zieltjes probeerden te winnen onder de gematigde Bosnische moslims, werden destijds weldegelijk gedwongen om midden jaren negentig het land te verlaten. Ook toen wachtte een nieuwe missie voor vele statenloze strijders die hun heil vonden in Tsjetsjenië waar een andere Afghanistan-veteraan meerdere trainingskampen runde om lokale strijders bij te staan in hun strijd tegen de Russen, net als de bekendste Afghanistan-alumni Osama bin Laden strijders had gestuurd naar Somalië om daar Amerikaanse troepen te bevechten.

Het ontnemen van het burgerschap kan leiden tot doorgewinterde transnationale moslimstrijders die opduiken in een volgend conflict, al dan niet als trainers en rekruteerders, en draagt zo aan wat je een ‘jihad-domino’ zou kunnen noemen. Niet alle jihadisten mogen over een kam worden geschoren en degenen die gedesillusioneerd zijn en terug naar huis willen, moeten ook die kans krijgen. De Deense stad Aarhus heeft bewezen dat het opvangen van teruggekeerde jihadisten wel degelijk succesvol kan zijn. Juist deze lieden vormen als ‘peers’ met ervaring het beste tegengif. Wie kan twijfelaars beter overtuigen dat de jihad minder te bieden heeft dan gehoopt?

Sommige Syrië/Irak-gangers horen in de cel voor misdaden tegen de menselijkheid. Maar door een grote groep toegang tot hun thuisland te ontzeggen, maak je de keuze voor een carrière als professionele jihadstrijder interessanter of dwing je ze er zelfs toe. Dan lijkt het een kwestie van tijd voor we die Nederlanders in een toekomstig strijdtoneel zien opduiken.