Van Zweden laat musici bloeien in dwarse ‘Mahler 9’

Voor de achtste keer leidde Jaap van Zweden het Rotterdams Philharmonisch, dit keer in de Negende symfonie van Mahler. Als concertmeester van het Concertgebouworkest heeft hij het werk zelf vaak gespeeld onder de grootste dirigenten, maar dat heeft niet geleid tot een gemiddelde opvatting over deze vaak extreme muziek. Integendeel.

Van Zweden heeft zeer persoonlijke en markante opvattingen, die hij met grote overtuigingskracht realiseert. Contrasten zijn sterk uitvergroot, tempi hoog en hij neemt de aanwijzingen van Mahler vaak letterlijk, maar soms ook niet, met ongehoord resultaat. Het Andante comodo, dat doorgaans traag en desolaat begint, klinkt bij hem levendig en met veel reliëf. Dat wordt afgewisseld met macaber stilvallende passages, dan weer plotse versnellingen, grillig als het leven zelf.

Vooral de middendelen baren opzien. Im Tempo eines gemächlichen Ländlers is allesbehalve rustig. Van Zweden maakt van het orkest een uitgelaten boerenblaaskapel. Het derde deel, Rondo-Burleske. Allegro assai, sehr trotzig, is inderdaad recalcitrant. Pas het beklemmende Adagio klinkt vertrouwder: een reis naar het einde van de nacht, eerst vol van klank, later verdunnend en verglijdend in het eeuwige niets.

In Dallas, waar hij chef is, heeft Van Zweden soms problemen met het orkest dat hij op een hoger plan wil brengen. In Rotterdam bereikt hij moeiteloos wat hij wil horen. Het orkest speelt met enorme inzet en individuele musici bloeien op in prominente en expressieve soli.