Siegfried Woldhek vindt altijd een zwakte om te vergroten

Zelfportret (2013, aquarel) Siegfried Woldhek

Ogen, ogen, ogen. Wie de tentoonstelling van Siegfried Woldhek in Slot Zeist binnenloopt, wordt van alle kanten scherp en doordringend aangestaard. Woldhek is cartoonist voor onder meer deze krant en exposeert niet vaak. Uit zijn 2.000 tekeningen en schilderingen selecteerde hij zestig portretten. Veelal zijn het cartoons in opdracht – van venijnige politici, hautaine schrijvers – maar ook vrij werk. Hij portretteerde zijn grootouders, schilderde een zelfportret, maakte tekeningetjes van echtparen. Hij heeft de ambitie om meer als kunstenaar, als schilder, te worden gezien. Maar dat blijkt een ander vak dan cartoonist.

Om te beginnen met zijn karikaturen, die het leeuwendeel van de drie zalen in beslag nemen. Deze zijn ijzersterk. Je herkent ze meteen: ijzige Poetin, zelfingenomen Berlusconi, raak getypeerd dankzij overdrijvingen die een mens gek genoeg herkenbaarder maken. Daardoor boezemen cartoonisten politici angst in, biecht D66-leider Alexander Pechtold op in een vermakelijke documentaire te zien in Zeist: „Hoe groot zou hij mijn ogen maken? Extreem. Extreem groot.”

Het gaat Woldhek niet om grote ogen of dikke neus. Hij manipuleert om een karaktertrek te visualiseren. Poetin wordt steeds gemener. Van Dis juist adellijker. En Pechtold – arme man – onnozel. Met grote ogen.

Soms is de betekenis onduidelijk geworden. Als karikaturist reageer je op actualiteiten en als die vergeten raken, wordt een cartoonesk commentaar onleesbaar. Dat maakt Woldhek een twijfelachtig portretschilder: hij gebruikt gezichten om een visie op politiek te verbeelden. Ze gaan over een publieke verschijning. Kwaad, ijdel, dom: typeringen, geen echte mensen.

Een portretschilder daarentegen toont de individu achter de façade. Dat Woldhek daar niet in slaagt kan te maken hebben met zijn keus om naar foto’s te werken. Die zijn een goed hulpmiddel bij cartoons, voor uiterlijke gelijkenissen. Maar voor portretten is een levend model nodig om dichterbij die levende mens te komen. Die buitenkant blijkt een barrière in de expositie, bijvoorbeeld bij een reeks over depressies. Woldhek portretteert grauwe gezichten, een draaikolk op de plek van iemands hart. De stijlelementen zijn donker, maar stralen geen pijn uit, het zijn geen mensen van vlees en bloed. Dat soort gekunstelde stijlelementen zie je ook op zijn schilderijen van koppels, met lichtflitsen tussen elkaar aankijkende mensen, of vlekkerige decors die niets toevoegen. Hoewel hij emoties in de lichaamshoudingen weet te verbeelden, zie je daarin toch een kunstenaar die zoekende lijkt naar een eigen beeldtaal.

Maar in een ander opzicht overtuigt de tentoonstelling wel degelijk: het etaleren van Woldheks vindingrijkheid. Bush portretteren als een neerwaartse economische grafiek, Kim-Jong-Un als een boos springende koppoter, Nooteboom als landkaart. Het levert een veelzijdige – en vreselijk rommelige – tentoonstelling op. Zestig onvergelijkbare portretten kijken je als bezoeker indringend aan, met als enige makke dat je nooit andersom de ziel achter al die ogen kunt zien.