Massale leegloop bij The New Republic

Vlak na het honderdjarig jubileum liep tweederde van de redactie van The New Republic weg. Uit onvrede met de digitale plannen van de leiding.

Het jubileumnummer vanThe New Republic en daaronder het voorlaatste nummer, over Alzheimer.

Een paar weken nadat The New Republic met een groot gala (hoofdgast: Bill Clinton) zijn honderdste verjaardag vierde, is de grande dame onder de Amerikaanse tijdschriften spectaculair geïmplodeerd. Zeker 58 van de 87 redacteuren en medewerkers hebben ontslag genomen. Hoofdredacteur Franklin Foer is weg, na een uit de hand gelopen conflict met de jonge eigenaar Chris Hughes (31), een oud-topman van Facebook. ‘TNR’ kan in december niet verschijnen.

Het gala, schreef oud-medewerker Ryan Lizza op Twitter, leek achteraf nog het meest op het beruchte bloedbad ‘Red Wedding’ in de tv-serie Game of Thrones. Met één verschil: „In de Red Wedding had de koning nog de ballen om iedereen persoonlijk neer te steken.”

Dat is de sfeer bij The New Republic. De grote namen voelen zich geschoffeerd door Hughes, en stappen massaal op. In de kern gaat het conflict om de toekomst van het blad. Hughes stelde in september Guy Vidra aan als directeur. Hij moest van The New Republic een „digitaal mediabedrijf” maken. Een groot deel van de redactie verwijt Vidra en Hughes een obsessie met online leesgedrag, ten koste van verhalende en onderzoeksjournalistiek.

Veel redacteuren plaatsen verklaringen op internet, waarin ze Hughes, en vooral de pas door hem benoemde directeur Guy Vidra, de schuld geven van hun ontslag. Julia Ioffe schrijft op Facebook dat ze „laf en vijandig” zijn behandeld. Ryan Lizza nam ontslag op Twitter: „Beste @tnr en @chrishughes, verwijder me alstublieft onmiddellijk uit het colofon.”

De toekomst van The New Republic is onzeker. Hughes kondigde vorige week grote veranderingen aan. Het mild-progressieve tijdschrift zal nog maar tien keer per jaar op papier verschijnen, en de redactie zal van Washington naar New York verhuizen.

Het is nooit stil geweest bij The New Republic, sinds Chris Hughes het in 2012 kocht. Hughes kondigde aan het wat belegen tijdschrift te moderniseren. De oplage was sinds 2000 ruim gehalveerd, tot circa 40.000 exemplaren. Hughes kondigde een verschuiving naar internet aan – een terrein dat hij goed kent, en commercieel maximaal had uitgebuit. Volgens hem was het tijdperk van grote, invloedrijke opinietijdschriften op papier voorbij.

Het eerste jaar zag het er veelbelovend uit. Het papieren blad friste op, de online presentatie ging vooruit. Het ging minder over politiek, en meer over de samenleving. De oplage steeg naar 50.000, al bleef het blad tot vandaag verliesgevend. De komst van directeur Guy Vidra in september versnelde de ontwikkelingen. Vidra kwam van Yahoo News. Hij gelooft niet in online verhalen die langer zijn dan 500 woorden, zei hij tegen de redactie. Die opmerking viel verkeerd bij veel journalisten. Julia Ioffe: „Het verhaal is [..] dat ik en de andere vertrokken redacteuren dinosauriërs waren, die internet eng vinden. Geloof hen niet. [..] De stukken die het online vaak het best deden, waren meestal diepgaand, zorgvuldig geredigeerd, gecontroleerd en mooi geschreven.”

Mediakundigen waren altijd verbaasd over de interesse van multimiljonair Chris Hughes (geschat vermogen: 850 miljoen dollar) in het deftige blad. Als hij zo graag een online platform wil beginnen, zei mediacriticus David Folkenflik (NPR) dit weekend, dan had hij eenvoudig een nieuwe site kunnen lanceren, zoals de succesvolle projecten Upworthy, Vox of Buzzfeed. Waarom al die moeite om een blad te transformeren?

The New Republic is altijd een auteurstijdschrift geweest. Het blad trok de afgelopen eeuw grote namen aan, zoals Virginia Woolf en George Orwell. Tot vrijdag maakte het blad gebruik van autoriteiten als Ryan Lizza (politiek), Noam Scheiber (economie) en Peter Bergen (terrorisme).

Dat maakte het blad gezaghebbend, maar het staat grote veranderingen in de weg. Jonathan Chait, een redacteur die in 2011 vertrok, schreef in New York Magazine een ‘grafrede’, waarin hij Hughes gebrek aan gevoel voor traditie verwijt. The New Republic, aldus Chait, droeg bij aan „progressieve gedachtenvorming in Amerika”. „Hughes en Vidra gebruikten woorden als ‘merk’, en schepten op over paginabezoek. Ze hadden geen waardering voor de plaats van het tijdschrift in het Amerikaanse leven.”