In Oost-Afrika hielden de Duitsers het langst stand

In Afrika werd tijdens WO I hevig gevochten. De Duitsers raakten er al snel hun koloniën kwijt, op één na. Ook voor het Ottomaanse Rijk had de oorlog grote gevolgen.

Generaal Paul Emil von Lettow-Vorbeck wordt verwelkomd in Berlijn na met zijn troepen jarenlang de laatste kolonie in Afrika te hebben verdedigd tegen de andere Europese grootmachten. Foto Ullstein Bild

Terwijl vanaf 1914 miljoenen soldaten zich in de Franse modder tegenover elkaar ingroeven, was het in Afrika met het Duitse territorium snel bekeken. Togo, in West-Afrika, werd vanuit aanpalend Frans en Brits gebied opgerold. Dat gebeurde ook met Kameroen, met steun van Belgisch-Congolese troepen. België zelf mocht dan door Duitsland zijn bezet, dat verhinderde niet dat Belgische koloniale troepen ook Rwanda en Burundi bezetten, die deel uitmaakten van Duits Oost-Afrika. En in Namibië werd Duitsland door Zuid-Afrikaanse troepen onttroond.

Zo raakte Duitsland zijn koloniën in Afrika kwijt. Heel Afrika? Nee. In het huidige Tanzania, dat ook deel uitmaakte van Duits Oost-Afrika, weigerde generaal Paul Emil von Lettow-Vorbeck te capituleren.

„De oorlog zal hier niet langer dan twee maanden duren”, schreef Harold Burgess, een Brits militair in 1914 vrolijk naar huis. „Het is hier veel te warm om te blijven vechten. We zullen allemaal smelten als een ijsje in de zon.” Maar Von Lettow zou de Britten vier jaar lang met een verbeten guerrilla op het verkeerde been blijven zetten.

Wie niet sterk is moet slim zijn. En gemeen. Dat is het oude principe van wat tegenwoordig ‘asymmetrische oorlogvoering’ heet. Met zijn strijdmachtje van 3.000 Duitsers en 11.000 zeer gedisciplineerde Afrikaanse soldaten, wist hij eerst een Britse landing te verhinderen. Daarna voerde Von Lettow, gebruik makend van het terrein, snelle en meedogenloze aanvallen uit op handelsposten en spoorlijnen. Hij beschikte zelfs een tijdlang over zware artillerie: van een gezonken Duits oorlogsschip sloopte hij de kanons. Zo bond hij meer dan 100.000 Britse, Belgische en, na een excursie in Mozambique, zelfs Portugese soldaten.

Dat was precies Von Lettows bedoeling. Hij wist dat hij niet kon winnen, maar door te voorkomen dat zijn achtervolgers elders konden worden ingezet, hielp hij de totale Duitse oorlogsinspanning.

Hij capituleerde pas op 25 november 1918, twee weken na de officiële wapenstilstand aan het Westelijke Front. Van zijn strijdmacht resteerden minder dan 200 Duitsers en 1.100 Askari, zoals de inheemse soldaten werden genoemd. Hij werd als een held in Berlijn ontvangen. In maart 1919 reed hij te paard aan het hoofd van zijn Schutztruppen in hun tropenkostuums onder de Brandenburger Tor door.

Om te bewijzen dat de Askari voor een Duits militair pensioen in aanmerking kwamen, lieten Duitse ambtenaren hen decennia later geweer-excercities doen. Met een bezem. De meesten konden het nog steeds feilloos. Van Lettow overleed in 1964, op 93-jarige leeftijd.

Het was een spectaculaire episode en materiaal voor films en romans, zoals William Boyds An Ice-Cream War (1982). Maar militair gezien was de Eerste Wereldoorlog in Afrika voornamelijk een side-show. „De krijgshandelingen waren marginaal en voor het globale verloop van de oorlog niet interessant”, zegt Henk Wesseling, emeritus-hoogleraar geschiedenis in Leiden en specialist op het gebied van het kolonialisme. „Het ging om Europa.”

Expansie

Toch betoogt Wesseling in zijn boek Europa’s koloniale eeuw (2003) dat het ook anders had kunnen lopen: dat een wereldoorlog juist in Afrika was ontstaan.

Want de koloniale expansie van Europese machten die aan het eind van de negentiende eeuw in een stroomversnelling kwam, leidde tot een aantal ernstige crises tussen Frankrijk, Groot-Brittannië en relatieve nieuwkomer Duitsland. In elke combinatie. Bij het Fashoda-incident (1898) in Oost-Afrika stonden Fransen en Britten lijnrecht tegenover elkaar. De Brits-Duitse maritieme wapenwedloop weerspiegelde hun bittere rivaliteit op de grote zeevaartroutes naar de koloniën. En tussen Frankrijk en Duitsland ontstond tot twee keer toe een crisis over Marokko. Die werd ten slotte diplomatiek beslecht in het voordeel van Frankrijk. Wat mede lukte omdat Frankrijk al eerder de Britse claim op Egypte had erkend in ruil voor Britse afzijdigheid in Marokko. Dat akkoord werd het hoofdbestanddeel van de zogeheten Entente Cordiale die beide landen in 1904 sloten.

Diplomatieke oplossingen voorkwamen steeds dat er oorlog uitbrak over een koloniale kwestie. Maar uit wat The Scramble for Africa was gaan heten kwamen de Brits-Franse betrekkingen ten slotte wel als sterkste tevoorschijn. En dat was „van beslissende betekenis voor de constellatie waarin Europa de Eerste Wereldoorlog in zou gaan”, aldus Wesseling.

Die oorlog ontvlamde in 1914 op een tradtioneel oostwest-kruispunt, de Balkan, waar Rusland en bondgenoot Frankrijk het koninkrijkje Servië tegen Oostenrijk-Hongarije steunden. En waarna Duitsland Frankrijk binnenviel en Londen Berlijn de oorlog verklaarde.

Geopolitieke buitenkans

Vanaf 1915, toen het Ottomaanse (Turkse) Rijk als Duits bondgenoot de oorlog was ingestapt, kwamen de Europese imperialistische rivalen elkaar na Afrika ook in Turkije en het Midden-Oosten tegen. Dat werd het tweede grote strijdtoneel buiten Europa.

Het Ottomaanse Rijk verkruimelde al langer aan de randen. Niet alleen op de Balkan. Italië had Libië ingenomen, Rusland aasde op Constantinopel en Frankrijk op Libanon en Syrië. Duitsland rook een geopolitieke buitenkans en schoot Turkije te hulp, economisch en later ook militair. Een vehikel voor de Duitse ambitie was de spoorlijn die Berlijn via Constantinopel met Bagdad en uiteindelijk Basra aan de Perzische Golf zou verbinden. Duitsland hoopte zijn invloedssfeer zo te kunnen verleggen tot de nieuwe olievelden in Mesopotamië en zelfs naar Brits-India, én een route te verwerven naar zijn koloniën in Afrika.

Britten en Fransen zagen er aanvankelijk alleen een bedreiging in, maar dachten er later via eigen aftakkingen en mijnbouwconcessies ook voordeel aan te kunnen ontlenen. Hoe dan ook kwam het zover niet door het uitbreken van de oorlog. Uiteindelijk zou de lijn pas in 1940 worden voltooid.

Deutschland über Allah

De Duits-Turkse militaire alliantie was geen succes. De jihad die Duitse agenten in het Midden-Oosten tegen Britten en Fransen probeerde te ontketenen („Deutschland über Allah”), schamperden diplomaten) werd een fiasco. Een Duits-Turkse verrassingsaanval op het Suez-kanaal, dat onder Brits-Franse controle stond, werd in 1915 een mislukking. Na een paar tegenslagen veroverden soldaten van het Brits-Indische leger Mesopotamië – het stroomgebied van Eufraat en Tigris. En in 1917 en 1918 verloren de Turken zowel Jeruzalem als Damascus.

Daar stonden klassieke legermachten tegenover elkaar. Op het Arabisch schiereiland legden Turkije en zijn „dogmatische” Duitse adviseurs het intussen af tegen een guerrilla van Arabische opstandelingen onder Britse regie. De bekendste strijder aan Britse zijde was T.E. Lawrence, archeoloog en inlichtingenofficier, die bekend werd als Lawrence of Arabia.

„[Staande] legers zijn als planten, immobiel, geworteld; wij konden als damp zijn, daarheen waaien waar we wilden”, schreef hij in zijn autobiografie Seven Pilars of Wisdom. „Bij de meeste oorlogen proberen beide partijen met elkaar in contact te blijven om tactische verrassingen te voorkomen. […] Wij zouden de vijand bedwingen met de stille dreiging van een enorme, onbekende woestijn, waar we ons pas bloot gaven op het moment dat we aanvielen.”

Turkije raakte zo niet alleen cruciale verbindingen kwijt, zoals de spoorlijn van Aleppo naar Medina, maar verloor ook moreel het initiatief. En de oorlog.

Een eigen staat voor joden

Frankrijk en Engeland zouden het Ottomaanse Rijk opdelen langs de strakke lijnen die nog steeds de grenzen van nieuwe landen als Irak, Syrië, Libanon, Egypte en Jordanië vormen. Joden zouden een eigen staat krijgen. And the rest is sindsdien onvoltooid verleden tijd.

In India en de Britse dominions – Australië, Canada, Nieuw-Zeeland – werd niet gevochten, maar de Eerste Wereldoorlog trok er diepe sporen en bracht hun onafhankelijkheid dichterbij, overigens zonder dat het hun loyaliteit aan de Britse kroon verminderde. Geen land leverde percentsgewijs een hogere bijdrage — in troepen en doden – dan Nieuw-Zeeland.

Met name in Frans West-Afrika had de oorlog blijvende invloed. Het dunbevolkte gebied leverde zeer veel soldaten, van wie velen omkwamen. Maar van alle soldaten die aan Franse zijde in de Eerste Wereldoorlog hebben gediend, vormen de koloniale soldaten maar twee procent. „Een schrijnende paradox”, zegt Henk Wesseling. „Je zou bijna denken: zonder de koloniale troepen zou de oorlog niet anders zijn verlopen.”