Ik houd Nederland een spiegel voor, maar niet als allochtoon

In 1982 kwam ze vanuit Roemenië naar Nederland. Nu wil Nausicaa Marbe Hollandse huiselijkheid inhalen. Die huiselijkheid is een thema in haar nieuwste roman.

Illustratie Enkeling

Waarom wilde je afspreken als het donker is?

„Omdat we op stap gaan. Ik wil je laten binnenkijken bij mensen die het goed hebben. Naar interieurs die uitstralen dat het gezinsgeluk veilig is en het goede leven onder controle. Esthetisch verantwoorde interieurs, uiteraard. Antieke kroonluchters in alle kamers. Of opvallende Scandinavische lampen die melkwit licht geven, zo uit Borgen of The Killing geplukt. In die series verlichten ze misdadige duisternis, hier zijn ze knusse huiskamertrofeeën.”

Smeergeld, je nieuwe roman, is een thriller?

„Kom ik later op terug. Blijf nu kijken. In de erker zit een frisgewassen kind op de ruime designbank tv te kijken. Een perzikkleurige labradoodle drentelt door de riante kamer en suite met muren in donkere poederverf. Achterin zie je een stuk van de open keuken, waar een sylfide-achtige moeder rond een glimmend kookeiland loopt. Door de open deur naar de gang is een glimp te vangen van een muur vol gezinsfoto’s waarop iedereen lacht. Buiten parkeert de hardwerkende vader een monster van een auto waarmee hij moeiteloos door een rotswoestijn zou kunnen rijden, terwijl hij hier slechts het dak van de supermarkt op hoeft. Job, de ik-verteller in Smeergeld woont te midden van deze schone schijn. Maar hij heeft een val meegemaakt. Werk, eer, geld, alles is weg. In het riante huis dat ooit zijn succes uitstraalde, trekt hij zich met zijn gezin terug als in een bunker.”

Je bent een gluurder in andermans (on)geluk?

„Welke schrijver is dat niet? Welke schrijver is niet de spons die alles opzuigt, het hypergevoelige oor dat te veel opneemt, het oog dat blijft kijken door die kier in de schutting. Elke gebeurtenis, elke blik die je vangt kan gouden romanmateriaal verbergen. Daar let ik op, het nestelt zich in mijn hoofd en komt als geroepen als ik het nodig heb. Mijn huishouden is een puinhoop, maar de ‘bovenkamer’ herbergt een geordend fictiearchief. En ja, ik ben gefrustreerd: omdat tegenwoordig vrijwel alle gordijnen dichtgaan. Dat was anders toen ik in 1982 naar Nederland kwam. De ziel van het land lag open en bloot achter grote, schone ramen. Er is geen betere inburgeringscursus dan uren dwalen en binnenkijken bij het volk dat het jouwe zal worden – of niet.”

Dus dacht deze allochtoon: nu houd ik Nederland een spiegel voor?

„Zo’n spiegel durfde ik aan. Maar niet als allochtoon. Ik kijk niet vanuit een verwondering over culturele verschillen. Die blik bewaar ik voor mijn columns. De journalist in mij mocht de tastende romanschrijver niet voor de voeten lopen. Of verleiden met vertrouwd materiaal. De roman moest mij iets volstrekt nieuws bieden – en m’n lezers ook. Ik onderzoek daarin vooral hoe een goed huwelijk in zwaar weer kan raken. En hoe een deugdelijke man zijn integriteit verliest. En ik kijk naar mijn generatie. Die dertig en hemelbestormend was in de rijke jaren negentig, die niet anders wist dan dat het leven maakbaar was en intellectuele bagage je beste kapitaal. Nu klampen die vijftigers, in banen die op de tocht staan, zich vast aan oude zekerheden die in deze crisistijd waardeloos zijn. Niet iedereen heeft het talent zichzelf voortdurend uit te vinden. Van zichzelf een duurzaam merk te maken.”

Maar de columnist kon het niet laten in Smeergeld cultuurkritische observaties te maken, over bizarre tv-genres, verwende kinderen of moreel verval.

„Mis. Daar spreekt de drukke verbeelding van de sarcastische Job. Hij mijmert, hij moppert, maar wel scherp. Zoals hij het vertelt, zou het niet in een column kunnen. Zijn observaties zijn organisch vergroeid met de toon en de sfeer van de roman die een zedenschets is. Omdat Job ook licht kwaadaardig is, moest ik verzuring tegengaan. Ironie brengt dan redding. Ironie geeft lucht en zet genadeloos te kijk. Zo werd Job een tragikomische held, hopelijk ook innemend. Alles wat hij ter eigen redding onderneemt, pakt verkeerd uit, terwijl zijn huwelijk en zijn kinderen in steeds groter gevaar komen.”

Een antiheld in de clinch met moderne mores. Waarom dan een paddenstoel op de cover?

„Het zijn er drie. Er komt iemand tussen Job en zijn vrouw in te staan. Iemand die gewend is de wereld naar haar hand te zetten. In deze driehoekverhouding worden geheimen bewaard. Alles is bedrieglijk, op losse schroeven, bekokstoofd op plekken waar geen licht komt. Daar groeien de mooiste paddenstoelen: verleidelijk wulps en door het gif een gokspel met de dood. Dat schimmige duister is ook het domein van fraude, manipulatie, smeergeld. Er speelt een corruptieaffaire op de achtergrond.”

Daar weet je als Roemeense alles van?

„Juist niet. Ik wilde onderzoeken wat het in het vrije Nederland betekent slachtoffer te zijn van corrupte machthebbers. Hoe is het om juist in een liberale rechtsstaat het kafkaëske gevoel te hebben dat je machteloos bent tegenover de overheid? Omdat dit hier een exotisch gegeven is, heb je als klokkenluider nauwelijks klankborden. Niemand begrijpt wat je meemaakt. Je lijkt al gauw een fantast. Maar het gebeurt – en hoe. Smeergeld was nog niet naar de drukker of er barstte in Haarlem, waar de roman zich afspeelt, een heuse corruptieaffaire uit, rond de wethouder met dezelfde portefeuille als de wethouder in mijn roman. Onthulling na onthulling in de landelijke pers, een kleine politieke explosie, aftreden. De werkelijkheid komt dan ongevraagd griezelig dichtbij.

Amusant, maar ook hinderlijk: de fictie waar ik van houd brandt haar vingers niet aan sec realisme.”

Gaan we het eindelijk over de thriller hebben?

„Vooruit. In de eerste zin van het boek schuilt het vermoeden dat de hoofdpersoon een misdrijf zou hebben gepleegd. In zijn benarde positie lijkt eigenrecht aantrekkelijk. Maar of hij daartoe in staat is… Hoe overleef je je vijanden? Door beter te denken dan zij, zegt de criminele huisvader Walter White in de serie Breaking Bad. In Smeergeld duikt een dubieuze rechercheur op die van dat spel houdt. Ik had geen thriller in gedachten toen ik schreef, wel een plot driven novel. Ik heb jaren geen roman geschreven uit angst dat ik geen sterke plot kon verzinnen. Ik was bang in een roman te stranden die zelfs ik niet wilde uitlezen. Smeergeld moest die duivel uitdrijven.”

Trouwens, blijven we nog lang lopen in de kou?

„Liefst wel. Waarom? Omdat ik mijn overleden ouders en mijn gelukkige jeugd in Boekarest mis. Mijn moeder heeft nooit op een Nederlands schoolplein gestaan, mijn vader heeft me nooit naar hockey gereden. Mijn leven is hier, mijn kinderjaren zijn dat niet. Misschien dat ik daarom gluur: om Hollandse huiselijkheid in te halen. Tot ik mezelf met mijn ouders in zo’n herenhuis zie staan, als geloofwaardig tafereel. Terwijl ik nota bene om de hoek een gezin heb dat zich vast afvraagt waar ik zo lang wegblijf met de hond. Nou, nergens. Ik loop gewoon wat heimwee weg.”