Groenendijk op de serieuze toer

De winnaar van de Poelifinario 2012 mengt in zijn nieuwe programma zijn grappen met de ellende van oorlog en geloof.

Richard Groenendijk in zijn voorstelling ‘Met de mantel der liefde’ Foto’s Sake Elzinga

Als de mensen nu maar niet denken dat het een zwaarmoedig programma is, zegt Richard Groenendijk na afloop van het gesprek. Heeft hij niet te veel gepraat over hoe belangrijk die twee serieuze thema’s zijn voor zijn nieuwe cabaretshow Met de mantel der liefde? Die is toch ook echt om te lachen.

Liefhebbers van Richard Groenendijk zullen zich over de lach geen zorgen maken. Althans, liefhebbers die zijn vorige show Alle dagen hebben gezien, een ijzersterk en dolgeestig programma waarvoor hij in 2012 de Poelifinario voor meest belangwekkende cabaretvoorstelling van het jaar kreeg. In een veld met medegenomineerden als Theo Maassen, Jan Jaap van der Wal en Maarten van Roozendaal. De man die zichzelf altijd schertsend de kroonprins van het Nederlands cabaret noemt, was voor even Koning Richard.

De twee belangrijke lagen in De mantel der liefde wil de 42-jarige cabaretier aan het begin het gesprek meteen kwijt. Hij mag van een bepaalde kerk niet zijn wie hij wil zijn. En: hij heeft een vriend die een oorlog heeft meegemaakt. Daarbij vraagt zich af wat voor effect die twee kwesties op hem hebben en of hij er wat van leert.

Zijn programma’s beginnen met verwondering, zegt hij. Twee jaar lang liep hij rond met een boekje. Noteerde invallen en verhalen die hij hoorde. Daar heeft hij oor voor. In de pijnlijkheden van het leven zit ook de lach.

Op een dag stond hij in een plaatselijke supermarkt op Goeree-Overflakkee, het eiland waar is hij geboren en getogen en waar hij, al jaren wonend in Rotterdam, nog een vakantiehuisje heeft. Het ging letterlijk zoals hij op het toneel vertelt, zegt hij, in dat dorpje dat tot de Bible Belt van het eiland behoort. De dame achter de kassa zei: ‘Joh ik las in een blad dat je een vriend hebt.’ Hij zei: ‘Ik ben er ook hartstikke blij mee.’ Waarop een vrouw achter in de rij zei: ‘Aan het eind van ons leven moeten we allemaal verantwoording afleggen aan één man, en ik denk: jij helemaal.’

Normaal gesproken heeft hij altijd wel een antwoord klaar – dat hij stilvalt is nog wel de minste angst die de mensen om hem heen hebben. Maar nu niet. Het kwetste hem. Diep. Hij dacht na over wat hem zo raakte aan het commentaar van dit lid van de zwartekousenkerk. Dat was de triomfantelijkheid waarmee het geloof hem werd opgedrongen. Dat zie je tegenwoordig overal in de wereld. Waarna hij besloot: dat is een thema voor de voorstelling.

Want dedain en misplaatste triomfantelijkheid zag hij meer. Zijn moeder werd gepiepeld omdat ze alleen huishoudschool heeft. Door de huisarts. Door de moeder van een collega. Maar slimheid is geen kwestie van scholing, het gaat om sociale intelligentie. Zijn moeder is mantelzorgster en die ziet aankomen wanneer een oudje in de problemen komt. Op feestjes praat hij zo vaak met mensen die zich enorm belangrijk vinden. Die hebben nog nooit iemand uit een luier geholpen.

En als het gaat om verantwoording afleggen dan wil hij wel eens weten waarom zijn Kroatische vriend Marko op zijn dertiende in de Joegoslavische burgeroorlog terecht kwam en zijn familie uiteen zag vallen. En waarom hij de afgelopen tien jaar zoveel mensen om zich heen heeft verloren. Dat wil hij wel eens uitgelegd krijgen. Daar windt hij zich over op.

Zijn ouders, zijn familie en het eiland zijn een goudmijn, hij geeft het grif toe. Een onuitputtelijke bron van verhalen. Iedere keer komt er wel een oom of een tante om de hoek waarvan iedereen denkt: hoe bestaat het? In Met de mantel der liefde vertelt hij over de seksuele capriolen van ome Cock en tante Koosje. Echt gebeurd. En anders is er nog wel buurvrouw Corrie, die in deze voorstelling even terugkeert. In Alle dagen ging het over de dood van haar hondje Tebbie. Voor wie dat heeft gemist, legt hij de naam nog even uit. Veel mensen in Rotterdam noemen hun hondje Tebbie. Dan hoeven ze niet zulke lange zinnen te maken als ze hun hond toespreken. Tebbie nou gedaan? Tebbie nou in je muil?

In De adem van de nachtchinees, zijn programma uit 2006, voerde hij zijn moeder op als een echte Zeeuwse, met spiegelkappen. Maar dat was omdat hij een passage uit vissersdrama Op hoop van zegen speelde. Zijn ouders zijn niet gelovig. Hij ook niet, al is hij een twijfelaar. Hij zou wel willen kunnen geloven. Het willen voelen. Weten dat er één weg voor je is, daar kan hij jaloers op zijn.

Groenendijk is geen cabaretier die zijn maatschappelijke betrokkenheid pontificaal uitvent. Hij is niet van de beschouwingen, hij is een verhalenverteller, die zijn opvattingen verpakt in anekdotes en grappen. Maar bij vlagen neemt hij stelling. Als hij vertelt over hoe Marko in Nederland op school ging en een tweede kans kreeg. Van onze belastingcenten, zegt hij erbij. Daar lacht het publiek om en dan bauwt hij de kreet ‘Vol is vol’ na. Daar kotst hij op.

Komt er van de week een man na afloop naar hem toe die zich min of meer verontschuldigt voor die lach. Waarop Groenendijk herhaalt dat hij echt blij is dat Marko als asielzoeker is toegelaten. Waarop de man zegt dat zijn vriend toch gewoon een blanke jongen is. Daar staat hij dan. Wat kun je zeggen?

Hij is een cabaretier die best een grap kan opbouwen of een onverwachte wending kan forceren. En zijn talent om typetjes uit zijn omgeving neer te zetten, is onmiskenbaar. Maar zijn kracht ligt in kleurrijke oneliners en beeldende metaforen, waar hij terloops mee strooit. Een tante is een ouwe runderlap, het dialect op het eiland klinkt en ziet er eruit als een linkerkantverlamming, een relatie is een soort permanente visite. Enzovoort enzovoort. Die metaforen zijn heel Rotterdams, zegt hij. Rotterdammers hebben voor alles een bijnaam. Die prachtige Markthal is alweer de Groentegrot gedoopt. Vindt hij leuk.

Er zijn ook bezoekers die na een try-out komen zeggen dat ze eindelijk weer eens ongecompliceerd hebben gelachen. Prima, dan gaat hij niet de onbegrepen kunstenaar uithangen. Maar hij hoopt wel dat ze bij thuiskomst beseffen dat het ook ergens over ging. Over onze verzorgingsstaat die niet deugt omdat één verpleegster een hele gang met 25 bejaarden moet verzorgen. Over die twee oude mensjes die samen de Maas inrijden omdat het niet meer gaat en ze samen willen sterven.

Tegen de televisie stelt hij zich onderdanig op, zegt hij. Na de enthousiaste kritieken op Alle dagen, overal vier sterren, prees zijn producent hem aan bij De Wereld Draait Door. Helaas, het waren er geen vijf, was het antwoord. Was chic geweest om daar nooit meer te verschijnen. Maar na het winnen van de Poelifinario zat hij er toch. Vervolgens gingen de tv-producenten bellen. Hij zei nergens nee tegen, dus zat hij in de RTL4-kwis Wie ben ik? in Ranking the Stars, in Volgende Week, in De Grote Improvisatieshow. ‘Hoertje Groenendijk’, grapten zijn vrienden. Hij heeft de ziekte van aandacht, zei hij eens in een eerder programma.

Hij is altijd een dubbel iemand geweest, zegt hij. Hoge en lage cultuur versmelten bij hem. Hij zingt in musicals en met de Dolly Dots in Ahoy’. Je kunt hem niet blijer maken dan door hem een dag in de studio te zetten met Patty Brard en Annie Schilder. Hij weet ook wel dat hij niet bovenop zijn talent zit als hij bij Wie ben ik? op een knop zit te slaan. Maar weten we wel dat hij zestien jaar lang voor 42 man van Schubbekuttenveen naar Den Helder en terug heeft opgetreden? Nu zitten de zalen vol. Zelfs in Hardenberg, dat zo’n beetje onder Warschau ligt.

Vanwege het nieuwe, jonge publiek dat hem kent van tv begint hij ook met de Joegoslavië-oorlog. Even de code duidelijk maken. Hij zegt het nu stoer, maar het is tegen zijn natuur in. Zijn regisseur heeft hem overtuigd. De show eindigt met een vertaald en op muziek gezet sonnet van Shakespeare. Dat is een goeie, zegt hij glunderend, nadat hij verteld heeft dat het toch zo’n mooi en optimistisch gedicht over de liefde is. Van Wie ben ik? tot Shakespeare: dat ben ik.