Een totale onderdompeling in de wereld van weides, tractoren en uierzalf

In haar debuut schrijft Naomi Rebekka Boekwijt over het leven op een Zwitserse boerderij. Een variatie op stedelijke twintigersromans van nu.

Nederland benauwde haar, en daarom nam ze afstand. Maite van Veen ging twee jaar geleden naar Feldi, in het noordoosten van Zwitserland, om er als knecht op een boerderij te werken. Inmiddels kent ze alle koeien persoonlijk, beter misschien nog dan ze boer Moser kent, of boer Wyss van de grote melkveehouderij ‘aan de overkant’ – een halve kilometer verderop.

Hier kan de twintiger Maite afstand houden tot de mensen, in Hoogvlakte, de eerste roman van Naomi Rebekka Boekwijt (1990), die zelf ook op een Zwitserse boerderij woont. Vorig jaar debuteerde zij met de knappe verhalenbundel Pels, die ook al over het platteland ging: in het merendeel van de verhalen trokken de stadsmensen erheen voor de vrijheid van het hooi, de stront en de verre einder. Niet dat Boekwijt haar personages die gezochte vrijheid ook meteen liet vinden – alleen een andere omgeving verandert nog niets, voor mensen die vooral in hun hoofd leven.

Dat laat Boekwijt bijvoorbeeld blijken wanneer Maites gedachten afdwalen als ze afvalaardappels aan de koeien voert. Ze mijmert over Maarten Biesheuvel, die ze via internet op de Nederlandse televisie zag: ‘Hij had letterlijk werk gemaakt van zijn verdriet. Misschien probeerde ik hetzelfde te doen. Er was iets wat het hoofd geboden moest worden.’

Afkeer van de stad

Zo past Boekwijt toch verrassend goed in de huidige generatie Nederlandse schrijvende twintigers. Afstandelijkheid en de moeite om nader tot elkaar te komen is verreweg het populairste thema onder hen – zie de laatste boeken van Philip Huff, Daan Heerma van Voss, Nina Polak, Maartje Wortel. In de boeken van elk van hen broeit wel een (lichte) afkeer van de stad en is er wel een landelijke scène waarin vrijheid wordt gevoeld. Boekwijts totale onderdompeling in de wereld van de weides, tractoren en uierzalf lijkt dan nog een stap verder te gaan.

Van afstandelijkheid is het verhaal in elk geval doordrongen: de emotieduiding in de Biesheuvel-passage is een uitzondering. Al vertelt Maite zelf het verhaal en zit haar kennelijk iets dwars, dichtbij laat ze ons niet komen. Zo stug als ze tussen de even stugge boeren is, waar niemand nou eens vraagt hoe het met een ander is, zo ruw is ook haar taal. De zinnetjes zijn afgemeten. De alinea’s staccato. De woorden verraden soms de invloed van het Duits, ook in uitdrukkingen en constructies. De taal heeft iets onbeholpens, maar ook iets charmant eigens, bijvoorbeeld als ze Moser typeert: ‘Hij stond als een soldaat, streng, donker. Hij was er een die zichzelf goed had uitgespit, die wist wat hij kon en niet kon.’ Maar Hoogvlakte is geen roman waar je echt ingetrokken wordt, omdat de landelijkheid ook wel wat landerig wordt. Er wordt flink wat afgemolken, -gerooid en -geborsteld, en dat zijn niet de spannendste passages.

Spanning op het platteland

Maar tussen de boerenscènes door zijn er wel degelijk verwikkelingen die het alledaagse overstijgen: er staat spanning op de verhouding tussen de ouderwetse en verarmende boer Moser en de moderne, expanderende boer Wyss. De knol die Maite onder haar hoede heeft krijgt een stalgenoot, en dat paard wordt bereden door een knappe blonde vrouw – en zij oefent een erotische aantrekkingskracht uit op Maite. En dan is er het riviertje de Thur, die dit herfstseizoen hoger en hoger komt te staan.

Hoogvlakte is er de roman niet naar om alle lijnen tot het einde toe uit te spelen, maar de spanning is steeds aanweziger, en daardoor neemt het leven tussen de mensen ook weer de overhand voor Maite. Zo schept Boekwijt een bonkige variatie op de Nederlandse, stedelijke twintigersromans van nu, die wel tot dezelfde slotsom komt: de afstand tot de wereld kun je verkleinen door een verantwoordelijkheid te nemen, door er iets aan te doen.