Wanneer doe je mee

Door Petra de Koning en Derk Stokmans

Er was deze week maar één bijeenkomst over integratie in de Tweede Kamer, er zouden alleen moties worden ingediend, het was geen debat. Toch werd het meteen ruzie – en de PVV, die eist dat alle moskeeën in Nederland dichtgaan, deed niet eens mee.

Het ging vooral tussen ex-PvdA’er Selçuk Öztürk, onlangs uit de fractie gestapt wegens het integratiebeleid, en PvdA-minister Lodewijk Asscher, verantwoordelijk voor dat beleid. Öztürk wilde weten wanneer iemand precies voldoet aan de integratie-eisen van Rutte II. Asscher, die Öztürks motie een ‘flutmotie’ noemde, vond dat een rare vraag. „Je moet mensen niet langs een meetlatje leggen. Dat is niet zoals je integratie moet zien.”

Maar hoe dan wel? Waar gaan de politieke discussies over – vijftien jaar na het geruchtmakende artikel ‘Het multiculturele drama’ van PvdA-publicist Paul Scheffer?

Volgens de Amsterdamse hoogleraar culturele antopologie Thijl Sunier gaat het politieke debat al heel lang „alle kanten op”. „De een bedoelt de sociaal-economische achterstand, de ander denkt aan sociaal-culturele ongelijkheid. Dat leidt tot chaos, want wat wil je dan met overheidsbeleid? Achterstanden wegwerken of culturele ongelijkheid opheffen?”

Hoogleraar geschiedenis Ido de Haan zegt dat Scheffer een dubbele boodschap had: er is een onderklasse van migranten ontstaan en Nederlanders weten zelf niet meer wat hun nationale identiteit is. In het politieke debat over integratie werden beide kwesties op curieuze wijze vermengd: de ‘eigen’ zoektocht naar wat Nederlands was, kreeg vorm door het opleggen van culturele normen aan minderheden. Alleen als ze zich ‘Nederlands’ gedroegen, zouden ze als gelijken worden behandeld.

Het probleem was natuurlijk dat de politiek nooit een helder antwoord wist te geven op de vraag: wat is ‘Nederlands’ gedrag? En zo ontstonden felle discussies over handen schudden bij ontmoetingen, of Nederlands praten op straat.

Naast ideologische meningsverschillen heeft die verwarring ook een andere oorzaak: voor veel partijen gaat het integratievraagstuk evenveel over henzelf als over ‘nieuwe’ Nederlanders. Dat is te zien aan de bewegingen van de twee partijen die het integratiedebat de laatste jaren vooral bepaalden: de PVV en de PvdA.

De PVV ontleent haar bestaansrecht aan het vermogen álle (integratie)problemen aan de aanwezigheid van moslims in Nederland te koppelen. Maar omdat de PVV het hele integratiedebat in haar richting trekt, kan ze alleen relevant blijven door die visie steeds radicaler te formuleren. In 2007 zei Geert Wilders nog: „Ik heb het altijd over de islam, over islamisering, nooit over moslims.” Maar dat politiek correcte denken is hij allang voorbij. Als gast bij het Franse Front National zei Wilders vorig weekend dat niet alleen criminelen, jihadisten en illegalen het land uit moeten, maar „iedereen die weigert om zich aan te passen aan onze waarden. Stuur hen weg en laat hen nooit meer terugkeren.”

Met een bijdrage aan integratie hebben zulke retorische wendingen weinig te maken. Kopvoddentaks, moslim-immigratiestop en moskeeverbod zijn niet meer dan handig gekozen frases, serieuze ideeën voor uitwerking presenteert de PVV nooit.

Zo gedecideerd als die partij is, zo weifelachtig is de PvdA. Steeds weer schommelen PvdA-politici tussen polariserende daadkracht (Marokkanen die niet deugen moet je „vernederen voor de ogen van hun eigen mensen”, zei partijvoorzitter Hans Spekman in 2008) en begrip – het legendarische thee drinken van Job Cohen. Die dubbele houding komt door interne vertwijfeling én analyse. De PvdA is van oudsher anti-nationalistisch. Maar de partij trok wel altijd kiezers die de culturele verwarring door massa-immigratie sterk voelden. Veel van hen verlieten de PvdA na de Fortuyn-revolte, de partij probeert ze nog altijd terug te krijgen.

Volgens Asscher berust het integratiedebat al vijftien jaar op een ‘schijntegenstelling’: „Met mensen thee drinken of erop in rammen.” Hij vindt: het moet allebei, de ‘harde’ én de ‘uitgestoken hand’. Als je hem vraagt wat hij tot nu toe heeft bereikt, noemt Asscher als eerste de ‘participatieverklaring’. Daarin worden nieuwkomers gewezen op hun rechten en plichten en op Nederlandse waarden en normen. Het is een proef in zestien gemeenten en vrijblijvend, maar toch: Asscher is trots.

Maar na meer dan tien jaar van heftige debatten is het antwoord op de vraag wat integratie is, en hoe je die bereikt, niet veel dichterbij.

„Integratie is meedoen”, zeggen Kamerleden. Maar wanneer doe je mee? Volgens VVD’er Malik Azmani, met een Marokkaanse vader, kun je „in principe thuis je eigen cultuur behouden”. Maar buiten de deur geldt de Nederlandse. „Dan bedoel ik ook hoe wij gewend zijn om samen aan tafel tot een oplossing te komen en ook: ‘doe maar gewoon dan doe je gek genoeg’.”

CDA’er Pieter Heerma vindt: integratie betekent ook dat Nederlanders nieuwkomers willen opnemen. „Maar de meeste inzet vraag je van nieuwkomers: om mee te doen in een samenleving gebaseerd op de Joods-christelijke traditie.”

Bij D66 geen woord over cultuur of identiteit. „Integratie moet je zo zakelijk mogelijk zien”, zegt Steven van Weyenberg. „Het biedt kansen in onderwijs en werk.” Hij hoort dat Turkse en Marokkaanse jongeren het gevoel hebben dat ze hun loyaliteit aan Nederland moeten bewijzen. „Dat is pijnlijk en je meet er het succes van integratie niet aan af. Mijn vader is Belg, hij drinkt Belgisch bier, leest Belgische kranten, kijkt Belgische tv. Maar hij houdt zich aan de Nederlandse wet.”