Mijn eeuwige spuug

Elke week staat op deze plek een fictieverhaal. Deze week een voorpublicatie uit Achter de regenboog, de debuutroman van Solomonica de Winter.

Toen stapte ik de winkel binnen. Het was alsof ik meteen weer vaste grond onder mijn voeten voelde. Ik was niet bang meer. Nergens meer voor. Dus luisterde ik niet meer naar de stemmen in mijn hoofd.

‘Ik moet je iets laten zien’, zei hij toen ik bij de toonbank was. Hij stond op, trok het jack aan dat over de stoel hing en wenkte me. Hij ging een ruimte achter de winkel in en ik liep achter hem aan. Hij pakte mijn hand. Zijn hand was veel groter dan de mijne, waardoor ik me realiseerde hoeveel ouder en sterker en langer hij was.

Hij duwde een grote donkere deur open die naar een rode wenteltrap leidde. Overal op de vloer zaten kleine stipjes rode verf die me aan kerstglitter deden denken. Hij bleef mijn hand vasthouden terwijl we de trap op liepen, omhoog, steeds verder omhoog, tot we bij de bovenste verdieping van het gebouw aankwamen. Hij deed nog een deur open.

Toen we buiten kwamen vlogen er vogels op. Over de hele stad lag een laagje sneeuw, zo donzig als een perzikhuid. Honderden gebouwen zag ik, groot en klein. Kapotte ruiten. Glanzende ramen. Roze muren. Zwarte muren. Grijze muren. Ik zag verlaten gebouwen waar ik zo van hield en gebouwen vol leven. Op de daken lagen hier en daar plassen grijze, papperige sneeuw.

‘Hier kan niemand je iets aandoen’, zei hij, wendde zijn ogen af van het uitzicht en keek me aan. ‘Alleen wij zijn hier. Daarom voel ik me veilig. Jij kunt je hier ook veilig voelen.’

Ik liep naar de rand van het dak en keek naar beneden. Beneden waren auto’s en mensen en honden. Ik stak mijn hand uit, deed alsof ik een man fijnkneep tussen mijn vingers en spuugde als een klein kind een mondvol spuug naar beneden. Zag het door de lucht vliegen en op de grond terechtkomen, naast een boom. Mijn spuug zou daar voor eeuwig blijven liggen. Het zou door de modder heen sijpelen en in de spleten van de stoep blijven zitten en na mijn dood zou iets van mij op deze planeet achterblijven. Nu was ik niet bang meer om te sterven.

Ik keek op naar Charlie. Ik voelde opeens heel sterk dat ik mijn mond open moest doen en hem iets moest vragen. Ik moest gewoon iets zeggen. Soms zag ik vreemden met mooi haar of mooie schoenen en dan wilde ik zo graag iets aardigs tegen ze zeggen. Dan verzamelde ik al mijn moed en dacht heel goed na over de juiste woorden, maar hield op het allerlaatste moment toch mijn mond. En achteraf had ik dan altijd spijt. Ik wilde nu geen spijt hebben. Ik ging het zeggen. Nee, dat ging ik niet. Vijf jaar lang had ik mezelf beloofd het niet te doen. Ik had die belofte al een keer gebroken. Ik zou hem niet opnieuw breken en hem dan voor de rest van mijn leven vergeten. Dat kon niet. Of wel?

Een duif landde op het dak en keek me strak aan. Ik kende ooit een meisje dat met duiven kon praten. Ze was heel mager en ze had dun blond haar. Waar ze ook heen ging, ze had altijd duiven om zich heen. De duiven hielden gewoon van haar. Als ze in de supermarkt was om iets te kopen wachtten ze buiten. ’s Nachts wanneer ze sliep zaten ze in de vensterbank. Tot het meisje op een dag uit zeilen ging op een meer en niet meer terugkwam. De duiven koerden twaalf dagen lang. Toen vlogen ze allemaal naar verschillende rustige plekjes en gingen stilletjes dood van verdriet.

Sorry. Het klopt dat ik een mager blond meisje kende, dokter. De rest heb ik verzonnen.

Een windvlaag stak op. De duif vloog weg.

‘Wat als we eraf vallen?’ vroeg ik opeens zachtjes.

Het kwam zomaar uit het niets. Geen aarzeling, zonder waarschuwende gedachte vooraf. Ik flapte het eruit. Charlie keek me aan. In zijn ogen zag ik dat hij heel even niet wist wat hij moest zeggen. We zouden doodgaan. Dat was wat er zou gebeuren. We zouden doodgaan. Het was een domme vraag. Onze tanden zouden breken op het beton en alle kanten op schieten. Niemand zou ooit nog iets van ons horen. Duiven zouden op de grond naast onze lichamen landen en perplex het gruwelijke slagveld in ogenschouw nemen.

‘Dan vliegen we’, antwoordde hij. En hij grijnsde.

Ik stak mijn handen in mijn zakken en boog iets voorover zodat ik naar beneden kon kijken, naar de stoep. Stilletjes begon ik van oor tot oor te grijnzen. Nooit eerder in mijn leven had ik zo sterk in een paar woorden geloofd. Dan vliegen we.

Ik wilde zijn naam op billboards schilderen, in bomen kerven, ’s nachts in de oren van de mensen fluisteren. In de hoek van een treinstation zijn naam zingen met een bekertje voor muntgeld in mijn handen. Ik wilde mezelf onderdompelen in zijn naam. Erin verdrinken. Ik wilde hem op elke pagina van mijn opschrijfboekje schrijven. Het was een stille liefde, maar vol van immense hunkering. Hij was minstens zeven jaar ouder dan ik, maar dat gaf niet. Ik wilde dat hij voor me kookte en me instopte en me welterusten kuste. Ik wilde heel hard huilen wanneer ik in zijn ogen keek. Ik besefte dat ik jong zou sterven met zo veel liefde – hij zou me opvreten, hij zou me uitspugen – maar dat vond ik niet erg. Helemaal niet zelfs.

Ik liep mijn kamer binnen. Een grote, donkere figuur zat op mijn bed, zijn armen over elkaar, zijn hoofd naar beneden. Zijn gezicht was niet te onderscheiden in de donkere, wolkachtige schaduw die de kamer om hem heen had gedrapeerd. Hij had iets groots in zijn hand, iets wat ik niet kon thuisbrengen, en een huivering bekroop me toen ik iets van het voorwerp af hoorde druppelen. De donkere figuur deed het licht aan. Schaduwen schoten in de holten en rimpels van het gezicht van de figuur, kloppende aderen in zijn nek en op zijn handen werden zichtbaar. Licht schoot in zijn flikkerende ogen. Het was hem. Hij hief zijn hand op. Charlies hoofd, afgehakt. Zijn ogen staarden naar het plafond, zijn mond hing open, bloed droop uit zijn hals op de grond. James keek me strak aan. Mijn benen begaven het.

‘Dom kind’, zei James.

Zijn stem was niet zoals ik hem eerder had gehoord. Hij was heel laag, een grommende, schorre stem, alsof hij een soort roofdier was. Achteloos gooide hij Charlies hoofd weg en stak een dikke sigaar op. De dikke zoete rook brandde in mijn keel en ik bleef hoesten tot ik wazig zag. Ik werd wakker.