Ik miste het contact met mensen, het volle leven

„Vijfenvijftig was ik toen ik met pensioen ging, nu zes jaar geleden – met ‘functioneel leeftijdsontslag’, zoals dat bij defensie heet. De luxe tijd heb ik nog net meegemaakt.

„In het begin vond ik het heerlijk. Op vakantie gaan en zeggen: ach, we zien wel wanneer we terugkomen. Nog een flesje wijn opentrekken en dan tot het einde toe naar Pauw en Witteman kijken.

„Maar al snel begon het te vervelen. Ik had bovendien een paar bestuurlijke functies waaraan ik me begon te ergeren. Ik kreeg weer te maken met een fusie van ziekenhuizen. Bij de marine had ik zelf ook aan zulk gedoe meegedaan. Toen dacht ik: dat is me te veel een schijnwereld, een papieren werkelijkheid van reorganiseren en hup, nóg maar weer ’s reorganiseren, jongens. Daar wilde ik niet langer aan meedoen.

„Managers hebben de samenleving overgenomen. Zij hebben hun eigen hyperrealiteit gecreëerd, naar een woord van de Franse filosoof Jean Baudrillard. Managers denken dat ze alles meetbaar kunnen maken en dat ze problemen kunnen oplossen. Ze zijn acteur in hun zelf geschreven toneelstuk, vol opgeklopt cijfermateriaal, en heel veel praten in zo’n sektarische taaltje.

„Ze zijn ’r maar druk mee, met ‘projecten uitrollen’ en ‘ideeën aftrechteren’, met hun ‘taskforces’ die koortsachtig zoeken naar ‘onze assets’. Met heel veel ‘prestatie-indicatoren’ op een ‘dashboard’, hè, en andere ‘S.M.A.R.T. geformuleerde targets’.

„Echt, die managers zouden Baudrillard eens moeten lezen. Hij beschrijft hoe we in deze tijd een eigen werkelijkheid geschapen hebben, die niks met het alledaagse leven en de menselijke maat te maken heeft. Managers denken dat we leven in een wereld die volledig bestuurbaar en beheersbaar is, als in een computergame. Ze zijn er blind voor dat veel problemen onoplosbaar zijn. Het woord ‘acceptatie’ kennen ze niet. In hun ogen valt alles en iedereen ‘beleidsmatig aan en bij te sturen’.

„Hyperrealiteit – ja, toen ik dat woord las, dacht ik: dat is wat aan me vreet. Ik wil maatschappelijk actief blijven, maar dan wel in de échte wereld, met mensen van vlees en bloed. En ik besloot: ik word weer huisarts.

„Huisartsgeneeskunde was m’n specialisatie aan het einde van m’n medicijnenstudie in Groningen. Direct daarna, op m’n 27ste, ben ik scheepsarts bij de marine geworden. Zes jaar was ik huisarts van het defensiepersoneel op Aruba en op Curaçao.

„In de eerste helft van mijn marinetijd ben ik dokter geweest, in de tweede helft ben ik in de hiërarchie omhoog geklommen. Een complete rechtenstudie heb ik er nog naast gedaan. Ik ben afgestudeerd in het bedrijfsrecht. Machtig interessant allemaal. Maar ook merkte ik, naarmate ik hoger kwam: ik mis het contact met mensen, ik mis het volle leven.

„Vier jaar geleden ben ik eens gaan praten bij de opleiding huisartsgeneeskunde in het AMC. Mijn bevoegdheid om te werken als huisarts was inmiddels verlopen, dus moest ik eerst nascholing doen.

„Het werd een oefening in nederigheid om de weg terug naar het huisartsenwerk te vinden. Ik moest bij diverse mensen nogal wat reserves overwinnen. ‘Wat jij? Je hebt zo hoog in de boom gezeten bij de marine, je hebt een mooi pensioen. Weet je ’t zeker? Is het geen bevlieging die vanzelf wel weer overgaat?’

„Nee, het was geen bevlieging, ik wilde dit echt.”

„Het moeilijkst was het nog om een huisartsenopleider te vinden die me wilde begeleiden in z’n praktijk. Het eerste gesprek verliep onaangenaam. ‘Een jonge vrouw is hier van harte welkom’, kreeg ik te horen, ‘een ouwe kerel zit ik niet op te wachten.’ Pas bij de vijfde ontmoeting vond ik een plek, in een praktijk in Wieringerwerf.

„De nascholing duurde, alles bij elkaar, veertien maanden. Samen met de huisartsen-in-opleiding, die elk m’n zoon of dochter konden zijn, heb ik het hele laatste jaar doorlopen. Sinds drie jaar ben ik nu in dienst bij een huisartsenpraktijk in Waarland, een dorp hier in Westfriesland.

„Ik heb een prachtig leven: drie werkdagen in de week en vier dagen met pensioen. Ik doe alleen de spreekuren, kleine chirurgische ingrepen, visites. Met administratie en zo heb ik weinig te maken.

„Ik vind het geweldig deel uit te maken van zo’n dorpsgemeenschap. Gaandeweg ga je de gezinnen, de families, de netwerken leren kennen. Mensen schenken jou hun vertrouwen. Je deelt hele persoonlijke problemen met hen, die je vaak niet kunt oplossen maar wel dragelijk kunt helpen maken – en dat is al heel wat.

„Ik probeer mensen met respect tegemoet te treden, hen in hun waarde te laten. Je zou zeggen: ‘Ja, logisch’, maar ik merk dat ook onder dokters het mechanische mensbeeld in opmars is, alsof ze robots behandelen. Maar niks menselijks is een mens vreemd: wij zijn onvolmaakte wezens, eigenwijs, we vallen voor verleidingen.

„Dokters zijn geen dominees of pastoors, die bij het horen van iedere klacht of pijntje moeten zeggen: ‘Ja, maar u bent zondig, u rookt, u bent te zwaar, u eet verkeerd, u beweegt te weinig.’ Je kunt het wel zeggen, maar je weet dat het niks uitmaakt – mensen zullen daardoor heus hun gedrag niet veranderen.

„Ik probeer mensen zoveel mogelijk hun eigen verhaal te laten vertellen. Dat vergroot misschien hun zelfinzicht en zou soms wel eens beter kunnen helpen dan het zoveelste pilletje. Mensen vragen me wel eens: ‘Als ik volgende keer op spreekuur kom, mag ik dan weer bij u?’ Dan zeg ik: ‘Ja hoor, vraag maar gewoon naar die dikke met de bretels.’ Ze beschouwen me als één van hen – een mooi gevoel.”