‘Het publiek van meer traditionele cultuur vergrijst’

Dat schrijft het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

illustratie Martien Ter Veen

De aanleiding

Wat is het effect van de bezuinigingen op cultuur? Vorig jaar vroeg de Eerste Kamer het aan minister Jet Bussemaker (Onderwijs Cultuur en Wetenschap, PvdA). Maandag reageerde de minister met het rapport Cultuur in Beeld. Een van de conclusies is dat „het publiek van meer traditionele cultuur vergrijst”, aldus het persbericht. Dat gaan we checken.

Waar is het op gebaseerd?

Musea, ballet en klassieke muziek trokken meer bezoekers in de leeftijdscategorie van 65 tot 79 jaar dan voorheen, is te lezen in het rapport. Daar komt het zinnetje over het vergrijzende publiek in het persbericht vandaan, zegt een woordvoerder van het ministerie van OCW.

En, klopt het?

Vergrijzing is een punt van zorg voor culturele instellingen. De belangstelling voor traditionele kunstuitingen neemt erdoor af, want de generaties die met uitsluitend traditionele kunstuitingen zijn opgegroeid, sterven uit, aldus Cultuur in Beeld. „De nieuwe generaties houden er andere voorkeuren op na.”

De onderbouwing van die stelling komt uit De Vrijetijdsomnibus 2012, een onderzoek naar het bezoek aan en de beoefening van sport en cultuur door Nederlanders. Uitgevoerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) in opdracht van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). Het CBS vroeg 3.000 Nederlanders in vragenlijsten naar hun cultuurbezoek.

Daarin wordt onderscheid gemaakt tussen traditionele en populaire cultuur. Onder traditionele cultuur vallen: toneel, opera, klassieke muziek, klassieke dans, literaire avonden, videokunst. Populaire cultuur wordt gedefinieerd als: cabaret, film, musical, popmuziek, urban, dance, jazz, levenslied, wereldmuziek, musical, volksdans en feest met voorstelling.

Van de respondenten zegt 43 procent dat ze minimaal een keer per jaar een traditionele voorstelling bezoekt. Dat verschilt per leeftijdscategorie. Zo gaan kinderen vaker naar een traditionele voorstelling dan ouderen. Van de kinderen van 6 tot 11 bezocht de helft weleens traditionele cultuur. Bij 65-plussers was dat 43 procent.

Kinderen gaan vaker naar populaire cultuur: 91 procent van de schoolkinderen bezocht weleens een populaire voorstelling. Ook ouderen gaan vaker naar populaire dan naar traditionele cultuur: 54 procent van de 65-plussers bezocht weleens een voorstelling in die categorie.

Om een vergelijking te maken met eerdere jaren gebruikt het ministerie de SCP-studie Cultuurbewonderaars en cultuurbeoefenaars uit 2009, waarin bezoekers-trends zijn gemeten over de periode 1983-2007. Maar de manier waarop het SCP zijn onderzoek uitvoerde, is anders dan de manier waarop het CBS onderzoek deed: het SCP gebruikte schriftelijke vragenlijsten na een persoonlijke bezoek. Het CBS werkte in 2012 met digitale vragenlijsten gevolgd door persoonlijk bezoek aan mensen die digitaal niet reageerden. Daardoor kun je de resultaten van 2007 en 2012 niet met elkaar vergelijken.

De vraagstelling is ook anders, zegt SCP-onderzoeker Andries van den Broek: „Als je maar iets verandert in onderzoeksmethode, kun je de resultaten niet meer vergelijken.” Dit erkent het ministerie ook in het rapport.

Dan is er nog een tweede probleem: door een fout bij de dataverzameling zijn gegevens over bezoek aan beeldende kunst in de openbare ruimte, monumenten en archieven niet meegenomen in de bezoekersaantallen.

Andere cijfers met betrekking tot deze stelling zijn er niet. Voor Marktomschrijving Podiumkunsten (TNS NIPO, 2007), zijn Nederlanders wel gevraagd naar hun cultuurbezoek in 2006 en 2007, maar daar is weer geen onderscheid gemaakt tussen traditionele en populaire cultuur.

Conclusie

De stelling dat het „publiek van traditionele cultuur vergrijst” is niet gebaseerd op cijfers uit verschillende jaren die je tegen elkaar mag afzetten, volgens het SCP. We beoordelen deze stelling daarom als ongefundeerd.