Het dubieuze comité dat de wereld redde

Alsof het weer 1998 was. Deze week voelde ik ouderwetse opwinding bij het nieuws over een kelderende roebel. De Russische schuldencrisis in 1998 was één van de eerste crises waar ik als journalist over mocht schrijven. De Aziëcrisis van 1997 had ik vanuit Indonesië als student intensief gevolgd. Dat was leerzaam en enerverend, maar op een of andere manier sprak de crisis van 1998 buitengewoon tot de verbeelding.

Dat kwam, denk ik, omdat de paniek op spectaculaire wijze oversloeg naar de Verenigde Staten. In de weken nadat de Russische overheid had besloten haar leningen niet terug te betalen, kwam het immens grote hedgefonds LTCM in problemen. Aan het roer stonden Nobelprijswinnaars in de economie én beruchte Wall Street-handelaren, zoals John Meriwether. Mannen naar wie romans werden gemodelleerd, zoals The Bonfire of the Vanities van Tom Wolfe.

Het fonds had zoveel geld geleend, zulke immense posities ingenomen en zoveel investeringen opgehaald, dat een faillissement delen van het westerse financiële systeem in gevaar had kunnen brengen. Hier stond een zeer grote dominosteen gevaarlijk te wankelen. De Amerikaanse overheid organiseerde een redding (en ontmanteling) van het fonds door andere banken. Een van de redders was ironisch genoeg Lehman Brothers (à 100 miljoen dollar), dat in 2008 zelf failliet ging en de financiële crisis ontketende.

Ondanks deze bijna-ramp waanden de Verenigde Staten zich economisch gezien oppermachtig. Het weekblad Time illustreerde die zelfverzekerdheid begin 1999 door Alan Greenspan (baas van de Centrale Bank), Robert Rubin (minister van Financiën) en Larry Summers (onderminister van Financiën) op de cover te zetten als The committee to save the world. Het artikel ademt de branie van deze drie. Financieel crisisje in de wereld? Wij lossen het wel op.

Wat leerde ik van mijn trip terug naar 1998? Allereerst dat je op Wall Street ook na immense fiasco’s nog welkom bent. Meriwether zette nóg twee keer een hedgefonds op en wist daar telkens geld voor op te halen. Het ging weer mis, zij het op kleinere schaal.

Ten tweede dat de zorgen van toen erg lijken op de zorgen van nu. Ook toen schreven analisten, economen en journalisten over de omineuze dreiging van deflatie. Ook toen waren er zorgen over de perverse gevolgen van het voortdurend redden van de financiële markten door de overheid. Telkens als er paniek uitbrak verlaagde Greenspan de rente, en kon het feest weer beginnen. De ‘Greenspan put’ werd dit beleid liefkozend genoemd: net als bij een putoptie leek de markt het recht te hebben financieel waardepapier tegen een vooraf bepaalde prijs aan Greenspan te verkopen.

Moedigde dit het nemen van onverantwoorde risico’s aan? Werden hier winsten geprivatiseerd en verliezen gesocialiseerd? Vanwege dit ongemak werd het drietal Greenspan-Rubin-Summers na de crisis van 2008 op diverse plekken omgedoopt tot The committee that screwed the world. Daar in 1997-1998 werden de zaden van 2008 geplant.

Wat het meest opvalt, is de rolverwisseling van de toenmalige staatssecretaris van Financiën Larry Summers. Was hij in 1998 een en al branie, nu is hij de econoom die de discussie heeft gestart over secular stagnation. Kunnen de westerse economieën nog wel echt groeien of kan dat alleen op de rug van financiële zeepbellen? Was de groei niet al ver voor de crisis van 2008 onecht? Hebben wij een existentieel probleem? Dat die vraag komt van deze man, maakt de vraag extra zorgelijk. Hij zou nu wel gelijk kunnen hebben.