Het begon met een paar simpele regels

Het Nederlandse softdrugsbeleid vertoont al decennia een absurde kronkel: wiet verkopen en gebruiken mag; wiet produceren mag niet. Nu willen rechters de productie niet meer bestraffen.

Tekst Jan Meeus Foto’s Olivier Middendorp

Henk de Vries had nog geprobeerd de inventaris van zijn vaders seksshop te verkopen. Maar toen niemand er een redelijke prijs voor wilde geven, was hij er klaar mee. Niet dat hij iets tegen sekswinkels had. Nee. Henk de Vries was een kind van de Wallen – hij groeide op tussen de hoeren, pooiers, gokkers en andere scharrelaars op de Zeedijk. Zijn familie? Ouderwetse penoze. Grootmoeder Mien Veth begon al voor de oorlog bordelen, in de oude sigarettenfabriek van haar man op de kop van de Zeedijk. Na haar dood zette Henks vader Rinus de zaak voort.

Henk de Vries wilde alleen iets anders. In het souterrain onder de seksshop verkocht hij al een tijdje hasj, stiekem. En nu was het tijd voor een echte zaak, een café waar open en bloot hasj en wiet werd verkocht. Hij had er al een naam voor: coffeeshop. Daarom gooide Henkie de Vries – 24 jaar – de hele inventaris van de seksshop van zijn overleden vader de gracht in.

Zo werd midden jaren zeventig seks vervangen door hasj – midden op de Wallen. Coffeeshop The Bulldog noemde Henk de Vries in december 1975 zijn nieuwe winkel aan de Oudezijds Voorburgwal 90. Naar zijn hond Joris, die ook model stond voor het logo. De Vries liep vooruit op nieuw beleid om het bezit en gebruik van hasj niet meer te bestraffen. Die wet werd in 1976 aangenomen.

Vier decennia later heeft Henk de Vries alleen al in Amsterdam vijf coffeeshops, twee cafés, één hotel en drie souvenirwinkels. Niemand op de Wallen had kunnen vermoeden dat het logo van de nieuwe nering van De Vries – een getekende hondenkop met een halsband vol spijkers – zo bekend zou worden. The Bulldog is tot ver over de grens een icoon van de Nederlandse liberale cultuur. Net als het rode licht en de scharlaken gordijnen.

Coffeeshop en raambordeel zijn uitingen van een klassiek Nederlands fenomeen: gedogen. Iets door de vingers zien wat verboden is. Het gaat terug tot de reformatie, toen protestantse leiders door de vingers zagen dat katholieken hun verboden geloof beleden – als het maar onzichtbaar bleef en in stilte gebeurde. Het toeval wil dat op nog geen 100 meter van de allereerste coffeeshop het museum Ons Lieve Heer op Solder is gevestigd. Het pand fungeerde vanaf 1661 als schuilkerk voor Amsterdamse katholieken.

Grijze economie

Het gedogen van wiet heeft een groot effect gehad op de Nederlandse samenleving. Er is een omvangrijke legale markt ontstaan voor hennep. Maar de bevoorrading van die markt is nog altijd illegaal. Daardoor is een grote, ondergrondse hennepindustrie ontstaan. Een grijze economie waarin vele duizenden Nederlanders hun brood verdienen. Er zijn thuistelers in alle soorten en maten. Er zijn runners, plukkers, snijders en pakkers. En vele coffeeshophouders zoals Henk de Vries, die belasting betalen en personeel in dienst hebben dat op de loonlijst staat.

Maar er wordt ook op industriële schaal wiet geproduceerd voor de export. Dat maakt de hennepindustrie onmiskenbaar tot een machtsbasis voor de georganiseerde misdaad. De illegale productie van hennep leidt tot serieuze problemen en ondermijnt in bepaalde delen van Brabant en Limburg het overheidsgezag.

Gemeentebesturen zoeken al jaren naar praktische oplossingen, zoals gecontroleerde wietteelt. Minister Opstelten van Veiligheid en Justitie ziet daar niets in. Sterker nog, met steun van een meerderheid in de Tweede Kamer wordt het softdrugsbeleid aangescherpt. Zo kwam er onlangs een verbod op de verkoop van hennep aan buitenlanders en wordt er nu gewerkt aan plannen om wiet met een hoog THC-gehalte (THC is de werkzame stof) als harddrugs te kwalificeren.

Of dat echt iets oplost is de vraag. Het toont eerder aan dat de VVD’er Opstelten verdere liberalisering van het beleid niet zal toestaan. Opstelten behoort tot de klassieke VVD-politici die niets zien in gedogen maar het beleid ook niet meer kunnen terugdraaien. En zo blijft de paradox bestaan: wiet verkopen en gebruiken mag – onder voorwaarden. Maar het produceren van wiet mag niet – onder geen voorwaarde. Waar komt die paradox vandaan en is deze juridisch wel houdbaar?

Kralingse Bos

Henk de Vries voelde de tijdgeest feilloos aan. Hij was zijn handel in hasj en wiet in 1970 begonnen op het Holland Pop Festival, in het Kralingse Bos in Rotterdam. ‘Kralingen’ was de evenknie van het Amerikaanse Woodstock-festival. Ruim honderdduizend meest jonge bezoekers genoten drie dagen lang van bekende bands als Jefferson Airplane, Santana, Supersister, The Byrds en Pink Floyd.

Maar het meest opzienbarend was dat de politie het gebruik van hasj en wiet op het festivalterrein toestond. „Ik verkocht in dat weekend negen kilo wiet”, vertelt De Vries. „Het mooiste was dat de politie niet optrad tegen openlijke verkoop.” De opstelling van de politie kwam voort uit afspraken die met het Openbaar Ministerie (OM) waren gemaakt voor het festival. Iets soortgelijks gebeurde ook al in Amsterdam. Poptempels De Melkweg en Paradiso mochten een huisdealer aanstellen om zo de overlast van hasjdealers op straat te verminderen.

Het door de vingers zien van hasjgebruik door justitie en politie leidde tot grote ophef. Een schisma werd zichtbaar binnen de Nederlandse politiek. Tijdens een debat over de justitiebegroting in november 1970 verklaarde de D66-fractie bij monde van juriste Anneke Goudsmit dat ‘de gedragslijn in Kralingen voortreffelijk aan de omstandigheden was aangepast’. Zij vond dat het Kralingse beleid ‘ook bij volgende festivals zou kunnen worden gevolgd’. Hein Roethof van de PvdA ging nog een stap verder en bepleitte ‘geleidelijke liberalisatie’ van cannabis.

Daarentegen sprak SGP-Tweedekamerlid Hette Abma er schande van dat in het Kralingse Bos „het gebruik van drugs van officiële zijde door de vingers was gezien”. Hiermee was volgens de hervormde dominee Abma, een gewaardeerd lid van de Tweede en later de Eerste Kamer, een „zeer schadelijk precedent” gesteld. „Op die manier wordt de wetgevende arbeid een serviel legaliseren van een inmiddels al lang geschapen status quo.”

Het hoogoplopende debat was voor de zittende minister van justitie, de liberaal Carel Polak, aanleiding een commissie in het leven te roepen. De werkgroep Verdovende Middelen – beter bekend als de commissie-Baan – presenteerde in 1972 een opmerkelijk rapport. Volgens commissievoorzitter Pieter Baan, de toenmalig geneeskundig hoofdinspecteur, moest er onderscheid worden gemaakt tussen harddrugs als cocaïne en heroïne en softdrugs als hasj en wiet. Bovendien moest cannabis, vond de commissie-Baan, uit het strafrecht worden gehaald.

Onwaarschijnlijke coalitie

Dries van Agt, voormalig CDA-premier en minister van Justitie van 1973 tot 1977, vertelt dat de commissie-Baan gebruik maakte van het werk van Louk Hulsman, hoogleraar strafrecht en criminologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Hulsman was zo mogelijk nog radicaler, herinnert Van Agt zich. „Hij was voorstander van een geleidelijke decriminalisering van alle drugs. Te beginnen met cannabis en daarna ook de harddrugs”, aldus de oud-premier. „En hij wilde ook de productie en de handel in cannabis reguleren.”

Van Agt noemt zich een adept van Hulsman, die hij leerde kennen toen hij in 1963 ging werken als ambtenaar op het ministerie van Justitie. Van Agt: „Hulsman, indertijd raadsadviseur, was een ongekend inspirerende man, een visionair.” Mensen als Hulsman brachten onder woorden wat er in de samenleving leefde. Daar ontstond gaandeweg een onwaarschijnlijke coalitie van linkse politici, verontruste medici, stellige criminologen, wanhopige politieagenten, pragmatische bestuurders, opstandige jongeren en slimme handelaren die om verschillende redenen allemaal hetzelfde wilden: een ander drugsbeleid.

Toen Van Agt in 1973 minister van Justitie werd, wilde hij iets doen met de ideeën van Hulsman. In 1974 stuurde hij een wetsvoorstel naar de Tweede Kamer om een onderscheid te maken tussen ‘hennepproducten’ en ‘drugs met onaanvaardbaar risico’. In het voorstel werd het bezit van een kleine voorraad hennep (30 gram of minder) uit het strafrecht gehaald. Zonder het te weten streed Dries van Agt – de Brabantse voorman van de Katholieke Volkspartij – zo zij aan zij met Henk de Vries – kind van een Amsterdamse penozefamilie – voor een liberaler drugsbeleid. De handel in hennep bleef wel strafbaar, al werd die veel minder zwaar bestraft dan de handel in bijvoorbeeld heroïne.

Over de paradox die was ontstaan – bezit niet strafbaar, handel wel – werd met geen woord gerept. „Het doel was het decriminaliseren van het bezit en gebruik van cannabis”, vertelt Van Agt. „En het scheiden van de markten voor soft- en harddrugs. In de praktijk betekende het dat iemand voor het bezit van maximaal 30 gram cannabis geen strafblad meer kreeg. Hasjbezit werd vergelijkbaar met rijden door rood; je kon er hoogstens een boete voor krijgen. „Eigenlijk had ik hennep liever helemaal uit het strafrecht gehaald maar dat was politiek niet haalbaar binnen mijn eigen KVP”, aldus Van Agt.

De nieuwe Opiumwet was in de ogen van Van Agt het maximaal haalbare. „Als jurist was ik afkerig van wetgeving waarvan de handhaving kwestieus was”, zegt hij nu. „Dit was overgangswetgeving.” De wet werd met een ruime meerderheid van 122 tegen 28 stemmen aangenomen.

Gedoogbeleid

Dat betekende niet dat de openlijke verkoop van hasj zomaar werd toegestaan. „Ik ben in die tijd wel eens tien keer op één dag aangehouden en naar het bureau gebracht”, aldus Henk de Vries. Maar tot vervolging leidde dat niet. In Amsterdam hadden politie en justitie het veel te druk met de snel groeiende heroïnehandel en de kleine criminaliteit van verslaafden.

Het concept van The Bulldog was simpel, vertelt De Vries. Je kwam voor koffie en via een huisdealer kon je een blowtje kopen. „Het was geïnspireerd op het ouderwetse koffiehuis, een soort openbare huiskamer waar je koffie kon drinken en een broodje kon kopen. Een drankvergunning hadden ze niet, maar er kwam wel een biertje onder de toonbank vandaan. En je kon er ook terecht voor een illegaal lottoformulier.” Verder had De Vries een paar simpele regels: „geen harddrugs, geen agressie, en geen gestolen waar”.

De positie van de ‘kleinhandelaar in hennep’ zoals de huisdealer in juridisch jargon werd genoemd, werd in 1979 geformaliseerd. Het Openbaar Ministerie zou, zo meldde het ministerie van Justitie in de begroting, voortaan overleggen met het lokale bestuur alvorens op te treden tegen een huisdealer. Die afspraak gold in eerste instantie alleen voor jongerencentra, maar breidde zich niet veel later uit tot alle coffeeshops.

Ziedaar het formele begin van het gedoogbeleid. De basis was een simpel setje afspraken. Een huisdealer in een horecagelegenheid was toegestaan – onder voorwaarden: geen verkoop aan jongeren, geen harddrugs, geen overlast en geen reclame. De gedoogcriteria werden een manier om te sturen.

Midden jaren tachtig leek dit beleid een groot succes. De verkoop van hasj via „het instituut koffieshop”, zo stelde VVD-minister van justitie Frits Korthals Altes in 1986, heeft er aan bij gedragen dat „het aantal heroïnedoden in Nederland aanzienlijk minder is dan in het buitenland”.

De aanwezigheid van coffeeshops in het straatbeeld versterkte in het buitenland wel het liberale imago van Nederland, aldus dezelfde Korthals Altes. „Men zegt: daar is alles maar mogelijk.” Het gedoogbeleid zorgde ook voor spanning „die in Amsterdam thans zeer manifest is geworden”, schreef het Amsterdamse OM in een vertrouwelijke notitie uit 1987. Die spanning zat hem in de „gerichte opsporing en vervolging van handel enerzijds” en „het ongemoeid laten van hasj zodra deze in koffieshops of etablissementen als de Melkweg of The Bulldog is aangeland, anderzijds”. Volgens het OM in Amsterdam lijkt de situatie op „legalisatie”.

De grote inval

Henk de Vries had niks met regels en voorschriften, daar was hij penoze voor. Maar door de gedoogregels kon zijn handel wel snel groeien. Die ene winkel op de Oudezijds Achterburgwal was in nog geen vijftien jaar uitgegroeid tot een keten van vier coffeeshops – de grootste gevestigd in een voormalig politiekantoor midden op het Leidseplein. De nering van De Vries was zo groot, dat er eigenlijk geen sprake meer was van kleinhandel, oordeelde justitie in Amsterdam. Tijd om in te grijpen.

Op 10 november 1987 werden invallen gedaan in de vestigingen van de Bulldog. De Vries werd aangehouden, net als een groot deel van zijn personeel, de voorraad hasj verdween in een container. De inval bij de grootste coffeeshop van allemaal moest een signaal afgeven, zo valt te lezen in vertrouwelijke correspondentie tussen justitie, politie en de gemeente Amsterdam. Coffeeshops werden weliswaar gedoogd maar ze moesten zich wel aan de regels houden. En dat betekende: niet te groot worden en geen reclame maken.

Het ingrijpen was bedoeld voor de bühne, zo blijkt uit de vertrouwelijke stukken. Iedereen wist hoe groot de handel van Henk de Vries was. En dat hij reclame maakte voor zijn handel was ook geen geheim, zo blijkt uit diezelfde vertrouwelijke correspondentie, gedateerd op 9 november – een dag voor de inval. Op dat moment was ook al duidelijk dat sluiting „nog niet aan de orde” was. Omdat de gemeente The Bulldog al jaren met rust had gelaten was „het moeilijk voor te stellen dat nu opeens de openbare orde ernstig wordt aangetast” door The Bulldog, aldus de gemeente. „Het OM heeft begrip voor dit standpunt.”

Na de inval kregen alle coffeeshophouders in Amsterdam een brief met de waarschuwing: niet adverteren en niet meer dan 30 gram hasj per transactie. En we komen controleren! Zo geschiedde. Henk de Vries werd veroordeeld voor grootschalige handel in cannabis, maar op straat veranderde niets. Zijn shops bleven open, de verkoop ging door en ook na de grote inval bleef de paradox van het gedoogbeleid bestaan – een legale winkel die alleen illegaal mocht worden bevoorraad.

Dries van Agt noemt het „een horreur”. Hij en zijn ambtenaren waren ervan uitgegaan dat het wettelijke onderscheid tussen harddrugs en softdrugs een eerste stap was op weg naar legalisering van cannabis. „Wij zagen wel dat er op het punt van de handel een acrobatische toer moest komen om deze wet te realiseren voor zijn werkelijke doel: cannabis weghalen uit de criminele sfeer.” Het was volgens Van Agt ook duidelijk dat er legale verkooppunten voor cannabis moesten komen. „Dat was de logische tweede stap geweest.” Maar het gebeurde tot op de dag van vandaag niet, volgens Van Agt door weerstand binnen zijn eigen CDA en het conservatieve deel van de VVD.

Maar ook de Paarse kabinetten lukte het niet het drugsbeleid verder te liberaliseren. Sterker nog, door kritiek uit het buitenland werd het beleid strenger. Het onlangs ingevoerde criterium dat coffeeshops geen softdrugs aan buitenlanders mogen verkopen, past in een lange rij beperkingen die sinds het toestaan van de huisdealer in 1979 zijn ingevoerd. In 1991 formaliseerde het OM het gedoogbeleid met de invoering van de AHOJG-criteria – in feite een uitwerking van de afspraken die ook al golden voor de huisdealer: niet adverteren, geen harddrugs, geen overlast, geen verkoop aan jongeren onder 18 en niet meer dan 5 gram per klant. De maatregelen in de jaren 90 waren gericht op het terugdringen van het aantal coffeeshops. Zo werd ook de handelsvoorraad beperkt tot 500 gram en mochten coffeeshops geen alcohol meer schenken.

De snijtafel

Henk de Vries worstelde op zijn eigen manier met de gedoogparadox. Hij, en met hem vele andere coffeeshophouders, had een grote groep medewerkers in dienst die voor hem illegale dingen deden, zo vertelt hij. „Als een koerier werd aangehouden met een voorraad wiet voor twee shops, moest ik tegen de politie gaan vertellen dat zo’n jongen dat in opdracht van zijn baas deed. Het is wat als je je werk doet en er een strafblad aan overhoudt.”

Met vele honderden klanten per dag, had The Bulldog veel meer cannabis nodig dan de toegestane voorraad van 500 gram. En bovendien, zo legt De Vries uit, een goede coffeeshop heeft vele verschillende soorten softdrugs op voorraad van een goede kwaliteit. „Als je ergens 20 kilo van een bijzondere soort wiet kan kopen, wil je dat niet laten lopen.” Daarom had De Vries een illegale voorraad – een stash.

Het beheer van deze voorraad – inkopen, opslaan, snijden, wegen, inpakken, distribueren – werd volgens Henk de Vries gedaan door mensen die allemaal in dienst waren bij de Bulldog. Ze waren een integraal onderdeel van de organisatie, net als de schoonmakers, de accountant en het barpersoneel. In 2008 veranderde dat, van de ene op de andere dag.

De aanleiding? Een inval bij coffeeshop Checkpoint in Terneuzen, met 3.000 klanten per dag een van de grootste van het land. Het OM klaagde de eigenaar aan als hoofd van een criminele organisatie die niet alleen verantwoordelijk is voor de legale verkoop aan de voordeur, maar ook voor de illegale inkoop via de achterdeur. Checkpoint was volgens justitie een crimineel scharnierpunt tussen de legale verkoop en de illegale inkoop.

Dat hakte erin, ook bij Henk de Vries. „Ik heb op dat moment een deel van mijn organisatie buiten de deur moeten zetten. Iedereen die te maken had met inkoop, verwerking en distributie. Op basis van de aanklacht in de Checkpointzaak, konden ze mij volledig stilleggen. Dat wilde ik niet laten gebeuren.” En dus vlogen alle inkopers, snijders en inpakkers de deur uit. „Eerst had ik mensen in loondienst. Nu betaal ik zelfstandigen voor leveringen.”

De Checkpointzaak liep echter anders af dan Henk de Vries vreesde. Het Amsterdamse gerechtshof sprak in de zomer van 2014, na een lange procedure via de rechtbank Middelburg, het gerechtshof Den Haag en de Hoge Raad, een verstrekkend oordeel uit, dat de problematiek rond het gedoogbeleid krachtig samenvat. De stelling dat een coffeeshop per definitie een crimineel samenwerkingsverband is voor de illegale inkoop van softdrugs, zou betekenen dat bij het afgeven van een gedoogverklaring meteen ook een dagvaarding kan worden uitgereikt. En dat kan niet de bedoeling zijn van het gedoogbeleid. Volgens het hof is het OM met haar redenering „op onaanvaardbare wijze voorbij gegaan aan de eigen rol van de overheid” bij het opzetten van het gedoogbeleid.

De overheid kan dus niet met de ene hand gedogen en met de andere vervolgen, is de conclusie van het Amsterdamse gerechtshof – als een coffeeshop zich houdt aan de gedoogvoorwaarden. Deze uitspraak, waartegen cassatie is ingesteld door het OM, heeft naast het principiële punt ook grote praktische gevolgen. Het aanhouden van een grote voorraad softdrugs is strafbaar, zo stelt het hof. Maar een gedoogde coffeeshop daarvoor straffen? Nee, dat vindt het hof niet gepast. De overheid mag zich niet beklagen over een grote handelsvoorraad hasj voor een coffeeshop die „met instemming, facilitering en stimulering van de overheid (…) tot grote bloei is gekomen”. Iedereen – justitie, politie en openbaar bestuur – wist dat voor deze coffeeshop „een regelmatige aanvoer van aanzienlijke hoeveelheden softdrugs” nodig was. Er is dan ook, zo stelt het hof, „geen redelijk doel gediend” met het opleggen van straf voor zaken die met de gedoogde exploitatie van een coffeeshop samenhangen.

Het oordeel van het Amsterdamse hof over de achterdeur en het bezitten van grote hoeveelheden softdrugs door een gedoogde coffeeshophouder, heeft verstrekkende gevolgen. Zes rechtbanken hebben dit oordeel al overgenomen. Na veertig jaar gedogen is de achterdeur nog altijd illegaal, maar rechters willen er geen straf meer voor opleggen.

Volgens Dries van Agt bevestigt het hof met dit vonnis de absurde situatie die in veertig jaar gedoogbeleid is ontstaan. „Stoppen met gedogen is eigenlijk niet denkbaar. Daar komt Opstelten binnen de VVD niet mee weg”, denkt Van Agt. „Te reactionair.” Nee, volgens Van Agt is de logische stap als het vonnis van het hof niet door de Hoge Raad wordt vernietigd, om cannabis uit het strafrecht te halen. „De hele kolom – teelt, handel en gebruik - moet strafrechtelijk irrelevant worden. Dat is de enige oplossing.”