Groot alarm, maar drie maanden te laat

Toen de ziekte werd herkend, bleek het virus zich al in miljoenensteden te hebben verspreid.

Emile Ouamouno, een tweejarig jongetje, dat in het dorpje Meliandou in het zuiden van Guinee woonde, werd vorig jaar plotseling ernstig ziek. Met hoge koorts, diarree en onophoudelijk braken. Vier dagen later, op 6 december 2013 stierf hij.

Wetenschappers beschouwen Emile als ‘patient zero’. Hij was de eerste persoon die besmet raakte tijdens de laatste ebola-uitbraak in West-Afrika, die het afgelopen jaar uitgroeide tot ongekende proporties. Volgens de laatste tellingen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) raakten er meer dan 17.000 mensen besmet, waarvan er ruim 6.000 overleden. Nog altijd is de uitbraak niet goed onder controle, wekelijks raken honderden mensen besmet.

Tot vorig jaar was ebola voornamelijk bekend van incidentele uitbraken die af en toe slachtoffers maakte in Soedan en Congo, waar het virus in 1976 voor het eerst werd ontdekt. Meestal kon de infectie redelijk snel bedwongen worden, door patiënten te isoleren en hun contacten op te sporen en in de gaten te houden.

Maar in West-Afrika werd de uitbraak veel te laat herkend als ebola, waardoor die zo kon uitgroeien. Drie maanden kon het virus zich ongehinderd verspreiden. Elke patiënt kon zo tientallen, mogelijk zelfs honderden andere besmetten. De plek waar de epidemie begon, was bovendien het drielandenpunt van Guinee, Liberia en Sierra Leone. Deze dichtbevolkte landen behoren tot de armste van Afrika, zijn uitgeput en verteerd door burgeroorlogen. Tussen de landen is er veel verkeer, waardoor het virus zich razendsnel over een groot gebied kon verspreiden.

De hik

Dat er begin 2014 bij Meliandou en de naburige plaatsen Guéckédou en Macenta veel mensen ziek werden, viel wel op. Maar artsen dachten in eerste instantie aan cholera. Zulke besmettingen waren in die regio vaker voorgekomen; de symptomen zijn min of meer vergelijkbaar met ebola.

Lokaal werd pas alarm geslagen toen een arts uit Macenta ziek werd en overleed, en diverse familieleden van hem hetzelfde lot ondergingen. Hier was sprake van een mysterieuze infectieziekte, misschien wel Lassa-koorts. Toen arts-epidemioloog Michel van Herp van het Brusselse kantoor van Artsen zonder Grenzen (AzG) half maart de lijst symptomen onder ogen kreeg, viel hem op dat zeker de helft van de patiënten de hik had. Hij herkende dat onmiddellijk als typisch symptoom van ebola, waarmee hij ruim tien jaar ervaring had.

Een AzG-team dat in buurland Sierra Leone werkte in een kliniek voor patiënten met Lassa-koorts, werd in allerijl naar het gebied in Guinee gezonden. Bloedmonsters van patiënten uit Guéckédou werden naar Lyon gestuurd voor laboratoriumanalyse. Van Herps vermoeden bleek juist: alle monsters waren positief voor ebola.

AzG stuurde onmiddellijk een gespecialiseerd ebolateam naar de regio. „Wij dachten toen dat wij de uitbraak binnen drie of vier maanden onder controle zouden kunnen krijgen”, zegt Meinie Nicolai, directeur van Artsen zonder Grenzen in België. „Voor ons was het business as usual, we hadden ervaren teams die eerder succesvol bij ebola-uitbraken hadden ingegrepen. Het was dus niets nieuws.”

Maar wat de hulpteams niet konden weten, was dat het virus zich inmiddels al wijder had verspreid. Het was al in de hoofdstad Conakry en ook mensen in de buurlanden Liberia en Sierra Leone raakten spoedig geïnfecteerd. Toen dat duidelijk werd, sloeg Artsen zonder Grenzen groot alarm. De uitbraak was grootschaliger dan ooit, de eerste keer bovendien dat ebola ook miljoenensteden trof.

„De internationale hulpverlening is volledig – maar dan ook volledig – tekort geschoten”, zegt Nicolai. De toestroom van patiënten werd al snel zo groot dat hulpverleners voortdurend achter de feiten aanliepen. Het was niet meer mogelijk om alle contacten van patiënten te traceren, waardoor de epidemie verder kon groeien. Voor zover er al sprake was van een echte besmettingshaard, verplaatste die zich voortdurend.

De strategie van patiënten isoleren en contacten opsporen die eerder zo goed werkte bij het indammen van ebola, blijkt nu in West-Afrika veel minder effectief. Was dit eigenlijk wel de juiste aanpak?

„Een terechte vraag”, zegt Nicolai, „Maar zo lang we nog geen werkzaam vaccin tegen ebola hebben, lijkt dit toch het enige antwoord dat wij hierop hebben. Maar het virus was al te ver verspreid en er was zo’n grote toestroom aan nieuwe patiënten dat het opsporen van alle contacten vaak lastig bleek. Nu in Liberia het aantal infecties daalt, kunnen we dit beter opvolgen, en krijgen we de zaak onder controle.”

Maar juich niet te vroeg, zegt Nicolai. „Twee keer eerder dachten we dat de uitbraak in Guinee onder controle was, maar telkens werden we opnieuw verrast. Het schiet heen en weer. Nu is het westen van Sierra Leone het gebied waar de meeste infecties optreden. Dat ligt weer gevaarlijk dicht bij de grens met Guinee, dus voor je het weet begint het daar weer opnieuw.”

Ivoorkost

Het is goed mogelijk dat het ebolavirus al langer rondwaart in West-Afrika. Uit 1995 is in ieder geval één ebolabesmetting bekend van een man die overleed in Ivoorkust, maar die de besmetting mogelijk had opgelopen in Liberia. Ook troffen onderzoekers de zomer in oude bloedmonsters uit 2006 en 2008 die bewaard werden in een kliniek in Sierra Leone soms antilichamen aan tegen het ebolavirus.

Deze mensen – ook patient zero – zijn mogelijk besmet via vleermuizen. Die dragen het virus zonder er zelf ziek van te worden. Ecologische veranderingen kunnen de opmars van het virus in de hand hebben gewerkt. Rond Meliandou is het oorspronkelijke regenwoud grotendeels gekapt. Rond het dorp staan nog palmen en mango’s; ideaal leefgebied voor vleerhonden. Ze waren zelfs welkom. Vleerhond gold als lekkernij. „Goedkoop en lekkerder dan kip”, dacht men er tot voor kort.