Dus jij vindt dit grappig?

Iedereen voelt het weleens, maar toegeven is moeilijk. Leedvermaak is niet iets waar je trots op bent. Twee psychologen stelden er een boek over samen.

Foto Corbis, illustratie rgvt

‘Oh, dus jij hébt nooit leedvermaak”, zegt Jaap Ouwerkerk smalend. „Dat zeggen mensen heel vaak tegen mij: nee, leedvermaak, dat voel ik niet, dat heb ik niet.” En dat gelooft hij niet? „Nou, dan vraag ik: is er weleens iets met iemand gebeurd waarbij je een kleine glimlach niet kon onderdrukken? En dan zeggen ze meestal: ja, dat wel. Dat is leedvermaak! Vertel eens, kan jij je geen enkele situatie herinneren waarin je een kleine glimlach niet kon onderdrukken?”

Ja, nu komen er natuurlijk allerlei situaties boven. Ik pik er een veilige uit, één die ook voorkomt in het pas verschenen wetenschappelijke boek over leedvermaak dat Ouwerkerk samen met Wilco van Dijk samenstelde – het is de aanleiding om met zijn drieën over het onderwerp te praten in een hoofdstedelijk café. Ik kan er wel van genieten, geef ik toe, als er een file alleen aan de ándere kant van de weg staat.

Daar moeten de twee psychologen hartelijk om lachen. Dus biecht ik meteen maar een andere guilty pleasure op: een stoplicht in mijn buurt waar het licht voor auto’s direct op rood springt als je als voetganger op het knopje drukt. Ik tel altijd het aantal auto’s dat ik daar stilzet. Heerlijk. Van Dijk en Ouwerkerk vinden dat ook grappig – maar, zegt Ouwerkerk: „We moeten wel even streng zijn, want dat is géén leedvermaak. Het is een definitiekwestie, maar als je het leed zelf veroorzaakt, is het geen leedvermaak.” Met een grijns: „Dan wordt het sadisme.”

Van Dijk (Universiteit Leiden) en Ouwerkerk (Vrije Universiteit, Amsterdam) doen al meer dan tien jaar onderzoek naar leedvermaak. Aanvankelijk deden ze dat ‘erbij’, maar geleidelijk aan is het een van hun belangrijkste onderwerpen geworden. Van Dijk deed altijd al onderzoek naar emoties, die belangrijke drijfveren zijn van menselijk gedrag – hij begon zijn carrière met onderzoek naar teleurstelling. Ouwerkerk onderzocht groepsgedrag en competitie.

Waarom voelen mensen eigenlijk leedvermaak, plezier om het leed van een ander? Dat is vrij simpel, zegt Van Dijk: „Mensen hebben positieve emoties als ze ergens baat bij hebben. Dus als jij plezier hebt om het leed van een ander, dan zit in dat leed iets wat jou op de een of andere manier, en dat hoeft niet eens bewust te zijn, psychologisch iets oplevert.” Wat dan? „Dat kan van alles zijn. Het kan zijn dat je afgunstig bent op die ander en als diegene faalt, valt die afgunst weg. Het kan zijn dat je een pesthekel hebt aan die ander, dat voorspelt leedvermaak altijd erg goed. Het kan ook zijn dat je leedvermaak nodig hebt om je beter over jezelf te voelen.”

Voortdurend vergelijken we onszelf

In een van hun recente onderzoeken logen de psychologen tegen de helft van de proefpersonen dat ze heel goed hadden gescoord op een creativiteitstest en tegen de andere helft dat ze het juist heel slecht hadden gedaan. Daarna kregen alle proefpersonen een filmpje te zien waarin een deelneemster aan het talentenjacht-tv-programma Idols erg slecht zong. Vooral de proefpersonen die toch al weinig zelfvertrouwen hadden en die ook nog eens extra onzeker waren gemaakt door de slechte score op de test, zeiden daar veel leedvermaak bij te voelen. Dat leedvermaak hielp hen om zich beter over zichzelf te voelen, in vergelijking met de sneue Idols-zangeres. Mensen vergelijken zichzelf voortdurend met andere mensen om te kijken ‘waar ze staan’. Van Dijk: „Uit onderzoek blijkt ook vaak dat vrouwen meer leedvermaak hebben om andere vrouwen en mannen meer om andere mannen. Dat is omdat mannen zich meer vergelijken met mannen en vrouwen meer met vrouwen.”

Hoe stellen de psychologen vast of iemand leedvermaak voelt? Door het te vragen, zegt Ouwerkerk. „Al blijft het natuurlijk voor onderzoekers een probleem dat mensen er niet zo snel voor uitkomen.” Dus vragen ze niet alleen maar: voelt u leedvermaak? Van Dijk: „We gebruiken ook uitspraken als ‘ik kon een kleine glimlach niet onderdrukken’ en ‘eigenlijk moest ik er wel een beetje om lachen’. In het begin deden we dat niet en toen waren onze resultaten minder sterk. Onze resultaten komen nu overeen met die van fMRI-studies met een soortgelijke opzet. Waar wij effecten vinden op onze leedvermaakvragen vinden zij de meeste activatie in het beloningscentrum van de hersenen.”

Naast afgunst, haat en gebrekkig zelfvertrouwen is er nog een belangrijke oorzaak van leedvermaak: het gevoel dat iemand datgene verdient, wat hem overkomt. Dat het ‘nét goed’ is. „Boontje komt om zijn loontje”, zegt Ouwerkerk. „Rechtvaardigheid is een heel sterke voorspeller van leedvermaak.” „We hebben ook net een studie gedaan”, vult Van Dijk aan, „waarbij zo’n slechte Idols-kandidaat zich niet zelf heeft opgegeven, maar door haar moeder is opgegeven en zelf barst van de zenuwen. Dan zie je dat het leedvermaak gelijk ook een stuk minder wordt. We hebben een hekel aan arrogante mensen.”

Leedvermaak om bekende mensen

Een Australische psycholoog, Norman Feather, noemt dat soort mensen in het leedvermaakboek tall poppies, lange klaprozen, of in beter Nederlands: mensen die met hun kop boven het maaiveld uitsteken. Het is duidelijk, zegt Ouwerkerk, dat beroemdheden en mensen met een hoge status meer leedvermaak opwekken. Wij denken dat het meer ‘vergelijkingsvoordeel’ oplevert als die op hun bek gaan. Als ze dan falen, komen ze heel dichtbij. Dan zijn het ineens ook maar mensen.”

Gebeurde dat ook met Frans Timmermans? Die spreekt talloze talen, hield na de MH-17-vliegramp als minister van Buitenlandse Zaken een prachtige speech voor de VN, was heel populair – maar toen hij één fout maakte, kreeg hij ineens iedereen fel over zich heen. Ouwerkerk grinnikt. „Ik kon een kleine glimlach niet onderdrukken.” Van Dijk: „Er zijn mensen die dat zielig vinden en geen leedvermaak hebben. Maar mensen kunnen ook denken dat hij arrogant is omdat het allemaal zo goed gaat.” Ouwerkerk, serieus: „Zo werkt dat. Dan is hij zo’n tall poppy.”

Vooral als die bekende mensen zich hypocriet gedragen, kan leedvermaak extra worden aangewakkerd. Ouwerkerk: „Als een of andere Amerikaanse evangelist de mensen vertelt wat ze allemaal niet mogen doen, en dan zelf betrapt wordt met zijn minnaar of minnares. Dan hebben we natuurlijk extra leedvermaak. En in het algemeen zie je bij beroemdheden vooral leedvermaak als mensen denken dat ze hun status nooit verdiend hebben.”

Is leedvermaak niet een beetje wraak voor schlemielen, een soort poor man’s wraak van mensen die toch al weinig zelfvertrouwen hebben en weinig kunnen? Ja, zegt Van Dijk: „Dat is precies wat Nietzsche ook zegt. Vengefulness of the impotent, noemde hij het. Maar dan in het Duits, ja.” Soms, vult Ouwerkerk aan, gaat het om mensen die letterlijk machteloos zijn. „Als je als groep in de minderheid bent en je ziet een andere groep falen, dan is dat heel leuk. Sowieso voelen mensen sneller leedvermaak in een competitieve situatie, met groepen. Dan zie je de gemiddelde scores echt omhooggaan.”

Komt dat doordat je in groepen gedeelde vreugde voelt, en verdund leed? „Ja”, zegt Ouwerkerk, „maar je hebt ook meestal meer competitie tussen groepen dan tussen individuen, en dan is het legitiemer om leedvermaak te voelen. Bij voetbal, bijvoorbeeld, mág het.” In het boek beschrijven Ouwerkerk en Van Dijk hoe tijdens het WK voetbal in 2010 maar liefst 100.000 Nederlanders overschakelden naar de ARD, direct nadat Spanje tegen Duitsland scoorde. „Dat vind ik zo’n mooi voorbeeld”, zegt Ouwerkerk. „Je ziet het leed al, maar je wilt de Duitsers ook nog horen lijden in hun eigen taal. Dat is toch vrij bizar. En dan moet ik zeggen dat ik me daar zelf ook schuldig aan maak.”

Nu is dat onschuldig plezier. Maar het kán overgaan in minder onschuldig plezier, denkt Ouwerkerk. „Mina Cikara van Carnegie Mellon University beschrijft in het boek onderzoek onder honkbalfans. Daaruit bleek: hoe meer leedvermaak mensen hebben als hun rivaal verliest, hoe eerder ze geneigd zijn zich agressief te gedragen tegenover een fan van dat team.” „Maar het is wel de vraag of leedvermaak dat veróórzaakt”, werpt Van Dijk tegen. „Groepen tegen wie je agressief bent, zijn dezelfde groepen tegen wie je leedvermaak hebt.”

Toch kan Ouwerkerk zich goed voorstellen „dat als je leedvermaak legitimeert, dat ook ergere dingen kan legitimeren”. Hooligangedrag, bijvoorbeeld. Of, alledaagser: roddelen. „We hebben ook bewijs dat hoe meer leedvermaak mensen hebben om een situatie, hoe meer ze geneigd zijn om het door te vertellen”, zegt hij. „Omdat ze dan opnieuw genieten van dat leedvermaak. Het lijkt er dus op dat emoties zoals leedvermaak ervoor kunnen zorgen dat slecht nieuws over anderen verspreid wordt.”

Maar is leedvermaak ook slecht?

Daarmee komen we op een oude discussie: is leedvermaak een slechte emotie? Volgens veel filosofen wel, zeggen Van Dijk en Ouwerkerk. Schopenhauer noemde leedvermaak zelfs duivels, diabolisch. Maar de psychologen zijn het daar niet mee eens. „Als je blijdschap voortkomt uit rechtvaardigheidsgevoel, is dat dan slecht? Dat denk ik niet”, zegt Van Dijk. In het boek bespreekt hij het werk van Martha Moers, een Duitse pedagoog uit de jaren dertig. „Die schreef een artikel over de vraag of ouders hun kinderen terecht moeten wijzen als die leedvermaak uiten. Wij zitten op haar standpunt: het hangt ervan af wat het motief is. Leedvermaak uit afgunst en haat, dat moet je bestrijden. Maar als de situatie meer slapstickachtig is of als leedvermaak voortkomt uit rechtvaardigheid, is dat niet per se slecht.”

Wat iemand overkomt, moet dan wel in proportie zijn met wat hij verdient.

En dat kán best erg zijn. Van Dijk: „Eén verhaal ging over een man wiens dochter door zijn eigen hond was doodgebeten. Daarover zei iemand: zielig voor dat meisje, maar de vader was een vermeende kinderverkrachter en dan voelt-ie zelf ook eens hoe het is als er iets met je kind gebeurt.”