De surprise van OCW

Wat moeten wij, onderzoekers, teruggeven aan de maatschappij? Die vraag blafte mij in chocoladeletters toe vanuit de landelijke kranten. Aanleiding was de presentatie van de Wetenschapsvisie, de Sinterklaassurprise van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Het wild geraas barstte toen pas goed los. Jos Engelen en/of het NWO moeten mee in de zak, Unilever en VNO-NCW gaan voortaan de pepernoten uitdelen. En de onderzoekers moeten braaf het liedje meezingen, anders krijgen ze helemaal niks meer.

Te midden van al dat feestgedruis kan het geen kwaad weer eens even historisch terug te blikken. Want de vraag die wordt gesteld is te dwingend, en laat te weinig ruimte voor reflectie. Er gaan namelijk allerlei opvattingen over de ‘persona van de wetenschapper’ achter schuil, zoals dat in sjiek academisch taalgebruik heet. Collega Herman Paul doet er op dit moment onderzoek naar; hij bestudeert de historische wetenschapper. Volgens hem is een persona een archetypisch beeld van wat de wetenschapper is en wat hij of zij zou moeten doen, een bundeling dus van eigenschappen en drijfveren. Er bestaan allerlei van zulke archetypes, variërend van de alchemist, de monnik en de profeet in de middeleeuwen tot de filosoof en de natuurvorser in de vroegmoderne tijd. Ook de ijverige verzamelaar in de negentiende eeuw en de ‘ondernemende wetenschapper’ in de twintigste eeuw zijn zulke personae. Steevast worden om zulke modellen verhalen, legendes en voorbeelden van ‘excellente onderzoekers’ gecreëerd.

In onze eigen recente geschiedenis kun je moeiteloos drie archetypes van excellente wetenschappers ontwaren. Elk van die types geeft een volstrekt ander antwoord op de vraag naar het nut van zijn of haar onderzoek.

Ten eerste is er de moderne wetenschapper die natuurlijke wetmatigheden ontdekt. Dat is de opvolger van de alchemist of scholasticus die goddelijke waarheden najoeg. De excellente wetenschapper is hier doorgeefluik van wetten, waarheden en dogma’s. Zijn grootste verdienste is de ontdekking van nieuwe formules en mechanismen, zijn grootste risico was altijd te worden veroordeeld als ketter. Je kwam hem tegen in een middeleeuws klooster of kasteeltoren, tegenwoordig is hij te vinden in de krochten van het CERN. Hoewel, dit type wordt ook wel gesignaleerd in filosofische kwartetten of bij De Wereld Leert Door. Het zijn de nieuwe zedenmeesters van technologisch vooruitgangsgeloof.

Ten tweede is er de excellente wetenschapper die de samenleving zijn brein nalaat. Letterlijk, als gift, wanneer na zijn dood zijn lichaam versneden mag worden als voer voor toekomstige breinchirurgen. Deze wetenschapper wijdt zich aan uitbreiding van de waarneembare werkelijkheid. Hij was vroeger te vinden in aardrijkskundige genootschappen, in de binnenlanden van Afrika, of op ontdekkingstocht naar onbekende archipels. Je vindt dit archetype nu in hypermoderne neurolabs en herseninstituten waar ze Alzheimer en psychopathologische aandoeningen in kaart brengen.

Dan hebben we ten slotte de wetenschapper die de samenleving deelgenoot maakt van zijn twijfels. Die meent dat onze zintuigen bedrieglijk zijn, tijd en ruimte relatief zijn en dat de mens zelf de grootste constructivist en fabulator is. Opmerkelijk genoeg kom je dit soort excellente onderzoekers zowel tegen in de kwantummechanica als in de letterkunde en in historische archieven. Zij geven geen eeuwige wetten door, maar zijn overdragers van een onmisbare aandoening: relativeringsvermogen, empathie en bovenal verbeelding. Empathie voor keuzes van eerdere generaties, openheid voor de grilligheid en onvoorspelbaarheid van de loop van kleine deeltjes. Verbeelding over wat het betekent wanneer een samenleving vergrijst, wanneer grote groepen jongeren zich uitgestoten voelen, onder welke condities angst en terreur om zich heen grijpen, of juist door een veerkrachtige samenleving kunnen worden geabsorbeerd.

Kortom, voor elk van die drie types geldt dat ze worden gedreven door een combinatie van heilig vuur, nieuwsgierigheid en verbeelding.

Gek genoeg herken ik geen van deze drie archetypes in het jargon dat wordt gebezigd wanneer het om innovatie, topsectoren of excellent onderzoek gaat. Daarachter lijkt eerder een middeleeuwse voorstelling van onderzoek schuil te gaan, een terugval in het simplistische verlangen naar de (mannelijke) alchemist die uit steen goud kan maken. Hoe die dat doet, is bijzaak; hoofdzaak is dat er winst wordt gemaakt.

Terug naar de beginvraag. Een samenleving die zichzelf serieus neemt, laat het uitdelen van pepernoten over aan de echte zwarte pieten. De verbeelding moet aan de macht blijven, ook en juist op de wetenschapsagenda. Of het nu om NWO gaat of om de stand van het onderzoek in Nederland, die staat in het buitenland veel te hoog aangeschreven om te grabbel te gooien. Duizenden jonge onderzoekers staan te trappelen om de samenleving te laten delen in hun dromen, verbeelding en fantasieën. Ik stel voor om bij alle pleidooien voor ‘maatschappelijk nut’ die ruimte voor verbeelding en verrassing bovenaan op de wetenschapsagenda te zetten.