De staat dwingt iedereen om zich thuis te voelen

Mensen moeten thuis meer voor elkaar doen; voor hun partners, kinderen, buren. En ze moeten zich overal thuis voelen. Maar met die opvatting sluit de overheid groepen uit, constateert Jan Willem Duyvendak.

In Nederland worden momenteel talloze keukentafelgesprekken gevoerd. Nu gemeenten per 1 januari verantwoordelijk worden voor veel zorgtaken, terwijl ze tegelijkertijd fors moeten bezuinigen, schuiven ambtenaren aan de keukentafel aan om met hulpbehoevende burgers te bezien wat ze écht nodig hebben. Burgers moeten namelijk meer zelf en voor elkaar gaan doen. Dat geldt voor hun partners, kinderen en ouders, maar vaker ook voor hun buren.

In het nieuwe jaar hevelt het rijk een aantal verantwoordelijkheden over naar gemeenten. Leidende gedachte is dat gemeenten dichter bij hun burgers staan – een ‘belofte van nabijheid’ schemert door alle wetteksten. Staan ambtenaren en politici ‘dichter’ bij hun burgers, dan kunnen ze meer ‘maatwerk’ leveren.

Veel gemeenten nemen deze gedachte van nabijheid heel letterlijk en komen bij de mensen thuis – gevraagd én ongevraagd. Ambtenaren uit Gemert verklaarden onlangs dat ze niet zozeer als ambtenaren op bezoek kwamen, maar als „grote zussen”. Op die manier werd de setting verder ‘verhuiselijkt’. In plaats van een ongezellig professioneel gesprek bij de sociale dienst schuift de ambtenaar nu aan de keukentafel aan, als ware hij een familielid.

Een andere ambtenaar probeerde nog verder los te komen van haar imago als bureaucratisch, kil en rationeel en verklaarde zonder blikken of blozen dat zij de keukentafelgesprekken voerde „vanuit haar onderbuik”.

Zoals hoogleraar Evelien Tonkens onlangs in haar Socrateslezing opmerkte: grote, formele, koude instellingen en professionals zijn uit de mode, alles wordt nu verwacht van het informele, het niet-bureaucratische, het warme, het emotionele. Daarom doet de overheid zich zo huiselijk mogelijk voor, als ware zij een grote, wijze zus die aan de keukentafel de levensproblemen door neemt.

De populariteit van deze huiselijke aanpak vloeit mede voort uit de gedachte dat ‘thuis’ de plek is waar het beste zorg kan worden verleend – veel beter in ieder geval dan in een grote instelling. Tehuizen worden dan ook ontmanteld; eerder verdwenen al de grootschalige psychiatrische inrichtingen, nu worden in hoog tempo verzorgingstehuizen gesloten. De gedachte is dat een ‘tehuis’ nooit een ‘thuis’ kan bieden.

Vooral politici geven huizenhoog op van ‘thuis’; ze willen er alles aan doen om mensen zolang mogelijk thuis te laten wonen. Onder hulpbehoevende mensen bestaat die wens soms ook, maar die is mede ingegeven door het sterk negatieve beeld van ‘tehuizen’: onpersoonlijk, er wordt daar niet goed je gezorgd, de urine loopt er langs je enkels.

Zelfs als onderzoeken uitwijzen dat veel zelfstandig wonende, hulpbehoevende mensen vaak eenzaam zijn en liever onder gelijken willen verkeren, dan nog kan daar geen open discussie over worden gevoerd. Thuis is heilig verklaard, zelfs als daar meer dwang wordt toegepast bij de dagelijkse verzorging dan in professionele instellingen, zoals uit recent onderzoek blijkt.

De overheid heeft besloten dat ‘oost west, thuis best’ is.

Om af te dwingen dat mensen thuis ook meer voor elkaar gaan doen, verscherpt de politiek voortdurend de norm voor ‘gebruikelijke zorg’. Al weerspiegelt deze norm niet wat Nederlanders gewoon zijn om voor elkaar doen. ‘Gebruikelijke zorg’ is een overheidsnorm, die vastlegt wat mensen voor elkaar zouden moeten doen voordat ze een beroep mogen doen op publiek gefinancierde zorg. De afgelopen jaren is die norm herhaaldelijk veranderd: steeds gedetailleerder beschrijft de overheid wat zij nog vergoedt en vooral wat zij niet meer betaalt. In de recente publiekscampagne camoufleert de overheid echter deze sturende rol. We lezen: ‘De samenleving verandert en de zorg verandert mee.’ Maar dat is niet helemaal eerlijk: de overheid wil dat mensen veranderen, onder andere omdat ze wil bezuinigen op langdurige zorg.

Waar de decentralisatie dus steeds meer verantwoordelijkheid legt bij burgers om voor elkaar te zorgen, betekent dit geenszins dat de overheid terugtreedt. Integendeel, zij legt burgers op meer informele hulp te verrichten. En ze komt aan de keukentafel om dat af te dwingen. Natuurlijk, dat heet heel lief een ‘maatwerk’-gesprek, maar het zal altijd moeten leiden tot minder hulp, nooit tot meer.

In die zin leidt de grote nadruk op ‘thuis’ in de zorg tot een vergaande politisering, zelfs tot een zekere verstatelijking van ‘thuis’: de overheid komt letterlijk bij u thuis! Zij meldt u dan ook hoe geweldig u het daar heeft en dat uw huisgenoten nog meer dan in het verleden voor u gaan zorgen.

Er kleven echter enkele problemen aan die belofte. Zo zijn er tegenwoordig minder mensen ‘thuis’ om te zorgen. Immers, in de afgelopen decennia zijn Nederlandse vrouwen massaal gaan werken (ook al zijn die banen vaak niet fulltime). Wie moet die zorg dan geven, zeker als we ons realiseren dat Nederland al in de top-5 staat van landen met het meeste vrijwilligerswerk en mantelzorg in Europa?

Deze vragen komen echter nauwelijks serieus aan de orde, want ‘thuis’ is heilig verklaard. Er zit zoveel dogmatiek in het beleid, dat problemen niet worden onderkend: ‘thuis’ is een magische belofte geworden waardoor problemen niet mogen bestaan.

Waar burgers vroeger veel van de verzorgingsstaat konden verwachten, wordt ze nu geleerd voor zichzelf en voor elkaar te zorgen in de huiselijke sfeer. Terwijl in de tijd van de opbouw van de verzorgingsstaat politici juist betoogden hoe belangrijk het was dat mensen niet langer afhankelijk van elkaar waren in de privésfeer, thuis, maar dat zij, indien nodig, op de overheid konden steunen. Nu moeten we echter leren niet langer afhankelijk te zijn van de overheid, en juist wél van thuis. Anders gezegd: waar Nederlands burgerschap lange tijd mede werd gedefinieerd door de vele sociale rechten die we met elkaar deelden, daar wordt sociaal burgerschap nu iets van burgers onder elkaar. Onder het toeziend oog van de overheid, dat wel. Een heel nabije overheid, tot aan de keukentafel.

Daardoor verandert de verhouding van Nederlandse burgers tot hun overheid. Al leidt een vermindering van de verzorgingsstaat er niet toe dat de verhouding tot de overheid alleen maar ‘minder’ wordt. Integendeel, die verhouding is zelfs sterk emotioneel. In plaats van sociaal burgerschap wordt onze verhouding de laatste jaren namelijk steeds vaker cultureel gedefinieerd.

De overheid doet minder voor ons, maar wij moeten ons wel meer met de overheid, de Nederlandse natie, identificeren. In het debat over de integratie van met name moslims is de nationale identiteit sterk opgepoetst. Zo kwam er een nationale canon en houden ministers van alle politieke gezindten ons voor dat we van onze ‘verlichte’ normen en waarden moeten houden, omdat het Nederlandse normen en waarden zijn.

Het zal niemand zijn ontgaan dat de band met Nederland emotioneler is geworden: in het Zwarte Piet-debat wordt het nationale erfgoed met hand en tand verdedigd.

In de discussies over de Nederlandse identiteit valt één aspect op: voortdurend benadrukken zowel burgers als politici dat mensen zich in Nederland thuis moeten kunnen voelen. Dit is zelfs officieel overheidsbeleid: de landelijke overheid streeft er naar, en de lokale Amsterdamse overheid probeert het thuisgevoel van Amsterdammers met 2 procent per jaar te laten stijgen.

Denken over Nederland als een ‘thuis’, en propageren dat iedereen zich voortdurend thuis moet voelen in ons land, is echter veel minder vanzelfsprekend dan het op het eerste gezicht lijkt. Thuis voelen is namelijk een heel selectieve emotie: je echt thuis voelen doe je maar bij heel weinig mensen, en lang niet overal.

Het probleem is dat veel ‘autochtonen’ zeggen zich niet meer thuis te voelen in Nederland vanwege de aanwezigheid van migranten, die er zulke andere gedachten en gedragingen op na zouden houden. Wordt een natie als een huis beschouwd, en moet ze als een thuis voelen, dan is er maar weinig ruimte voor verschil: van familieleden verdragen we immers ook niet dat zij heel anders zijn, want dan voelen we ons niet meer thuis.

De natie is dus ‘verhuiselijkt’ – in dit geval niet omdat de politiek bij de burger thuis komt, maar omdat de emotie ‘thuis voelen’ is gaan reizen: het gaat er niet meer alleen om dat we ons in huis ‘thuis’ voelen, of in de buurt. We moeten ons ook thuis voelen in de stad, ja zelfs in de natie.

De koppeling van een ‘privé’-emotie aan het publiek domein is geheel vanzelfsprekend geworden: alle politici spreken de taal van ’thuis voelen’, het SCP peilt of inwoners van Nederland zich inderdaad wel thuis voelen, en burgers zijn woedend als ze zich niet meer publiekelijk thuis kunnen voelen. Ze claimen een emotionele band met hun nationale huis – en dan concluderen ze al snel dat ze zich meer thuis zouden voelen als anderen er niet zouden zijn, of als nieuwkomers tenminste af zouden blijven van hun tradities. Thuis voelen is zo’n uitsluitende emotie dat iedere migrant, en met hem/haar zijn kinderen en kleinkinderen, er al snel één te veel is: dat geldt voor moslimmigranten, maar ook voor postkoloniale migranten, zoals het Zwarte Piet-debat laat zien.

Door het burgerschap emotioneler te maken, zijn de banden van de ene groep met de natie versterkt, terwijl andere groepen een zwakke band met Nederland hebben. Migranten weten wel dat ze Nederlander zijn, maar ze voelen het vaak niet zo.

Burgerschap is nu primair cultureel gedefinieerd, vooral voor ‘autochtonen’; het voelen van Nederlanderschap is het belangrijkste geworden. Waar de verzorgingsstaat voorheen een band uitdrukte van alle Nederlanders met alle Nederlanders, is cultureel burgerschap selectiever: we voelen ons nu alleen solidair met de eigen groep, want daar voelen we ons bij thuis.

Natuurlijk, er is altijd een zeker verband geweest tussen cultureel en sociaal burgerschap: verzorgingsstaten ontwikkelden zich vooral daar waar de bevolking relatief homogeen was. En het zal geen toeval zijn dat verzorgingsstaten worden ontmanteld wanneer samenlevingen pluriformer worden. Of, beter gezegd, wanneer politici onderscheid gaan maken tussen burgers die voorzieningen ‘verdienen’ en anderen die daar buiten zouden vallen.

Waar cultureel en sociaal burgerschap niet langer samen opgaan, zoals voorheen in homogene landen met sterke verzorgingsstaten, komen de emotionele banden van het culturele burgerschap (deels) in plaats van de sociale banden van de verzorgingsstaat. We moeten ons nu vooral Nederlander voelen, ook al betekent dat ‘materieel’ minder.

Zowel in de versterking van het cultureel burgerschap als in de ontmanteling van het sociale, speelt de verhuiselijking van de politiek een doorslaggevende rol. We voelen ons Nederlander als we ons hier ‘thuis kunnen voelen’. En we verwachten steeds minder van de sociale staat die ons zo nadrukkelijk aan de keukentafel vertelt dat we het zelf thuis zullen moeten opknappen.

Wat we als privé en als publiek beschouwen, verandert dus drastisch. We moeten het normaal vinden dat de overheid aan de keukentafel aanschuift – tenminste als we hulpbehoevend zijn. En we worden voortdurend gemaand ons thuis te voelen buiten ons eigen huis, in onze buurt, stad, land.

De dubbele verhuiselijking van de politiek die hieruit spreekt – ‘de lokale politiek komt bij u thuis’ en ‘de nationale politiek is uw thuis’ – leidt tot allerlei ongewenste consequenties. Zeker, ik heb alle begrip voor het beroep van de overheid op burgers om naar elkaar te kijken, maar moet dat via intimiderende huisbezoeken? En zeker, een samenleving kan niet zonder gedeelde emoties; Bas Heijne laat dat iedere week weer overtuigend zien. Maar moet dat de emotie van ‘thuisgevoel’ zijn? Zijn er geen andere gedeelde emoties die minder splijtend zijn, die niet primair gebaseerd zijn op in- en uitsluiting?

Ik neem meteen aan dat de meeste politici met de beste bedoelingen voortdurend over ‘thuis voelen’ in Nederland praten – het zal vast gericht zijn op het ‘insluiten’ van mensen. Maar iedereen die een seconde nadenkt over de betekenis van thuis voelen, weet hoe exclusief dat gevoel is. Dus laat het thuisgevoel vooral thuis gevoeld worden. En laat de overheid zich daar niet mee bemoeien. Zeker niet aan de keukentafel.