De man van het geluid

De naam van producer Glyn Johns is verbonden met het beste werk van The Stones, Led Zeppelin en andere grote namen. Vaak was hij de enige in de studio die broodnuchter werkte.

Glyn Johns en Mick Jagger in de studio, 1970

Wanneer je iemand aan de telefoon krijgt die beweert dat hij Paul McCartney is, ligt het niet voor de hand om te zeggen: ‘Hé Mick, hou me niet voor de gek.’ Maar dat was de wereld van de Engelse geluidstechnicus en producer Glyn Johns in 1968. Op het moment van het telefoontje had hij gewerkt met onder andere Led Zeppelin, The Who, The Kinks, The Small Faces, en veel met The Rolling Stones. Meestal was hij geluidstechnicus, soms zat hij achter de mengtafel en zo nu en dan was hij de producer.

McCartney belde hem omdat The Beatles hun volgende plaat live wilden opnemen, liefst met een film erbij, en Johns was goed in het vastleggen van muziek zoals die werd gespeeld. Trots als een pauw ging hij aan de slag, maar bij de eerste sessies ontdekte hij dat George Martin, de vaste producer van The Beatles, ontbrak en dat híj geacht werd de boel bij elkaar te houden.

Kat

Dat viel niet mee: de bandleden ruzieden constant met elkaar, en met het management. Met Brits understatement en een venijnig gevoel voor humor beschrijft hij hoe dat ging: ‘Ik hoorde een ongelooflijk lawaai dat nog het meest klonk alsof iemand op een kat was gaan staan.’ Johns begint kabels te checken totdat hij iemand ziet die met een zak over het hoofd in een microfoon staat te schreeuwen: ‘Het bleek Yoko Ono te zijn, die besloten had een bijdrage te leveren aan de gang van zaken.’ Johns’ werk werd niet gebruikt – John Lennon gaf de tapes aan Phil Spector – en over het eindresultaat is Johns niet mild: Spector ‘kotste eroverheen’ om van de plaat, Let it be, ‘the most syrupy load of bullshit I have ever heard’ te maken.

Johns weet echter wat hij waard is, en wanneer Jimi Hendrix zijn advies negeert om de versterkers iets terug te draaien omdat het anders onmogelijk is een live-album op te nemen, stelt hij nuchter vast dat het zijn goed recht is, om vervolgens naar huis te gaan en de volgende dag aan de verbouwereerde platenbaas uit te leggen dat ze niet het onmogelijke van hem moeten vragen.

Maar hij is geen opschepper: alleen op het feit dat hij nooit drugs gebruikte en altijd broodnuchter zijn werk deed, laat hij zich voorstaan. Dat was niet altijd makkelijk: toen Steve Miller een enorme rol papier pakte om een ‘visuele representatie te geven van hoe het nieuwe album moest klinken, I knew we were in trouble’.

Die nuchterheid is een van de redenen dat de Eagles niet meer met hem wilden werken. Johns is vol vileine lof over zijn opvolger: Bill Szymczyk had een ‘modernere opvatting van het producersvak, en vermoedelijk veel meer geduld’.

Het staat allemaal in Sound Man, de autobiografie van Glyn Johns, een boek waaruit je wel kunt blijven citeren. Een springerig boek, soms zelfs een tikje chaotisch, maar het staat vol fijne anekdotes over de platen die hij gemaakt heeft en de concerten die hij heeft vastgelegd. Wie van muziek houdt en ook maar een beetje geïnteresseerd is in wat er komt kijken bij het opnemen daarvan, moet dit heerlijke boek lezen. Moet, ja.

Dan lees je bijvoorbeeld hoe Johns ontdekte dat je drums ook in stereo kon opnemen. Dat ging per ongeluk – hij had een microfoon open laten staan en in de controlekamer wist hij niet wat hij hoorde, terwijl John Bonham, de drummer van Led Zeppelin, bezig was zich warm te draaien. Die extra microfoon gaf het drumgeluid een enorme diepte, maar Johns haast zich om te verklaren dat het vooral aan Bonham te danken was dat het zo goed klonk. De kwaliteit van de muzikanten met wie hij werkt, vormt een constante in de verhalen.

Zo vertelt hij dat hij zich zorgen maakte toen hij het geluid moest doen voor een optreden van Motown-artiesten: zou hij het wel voor elkaar krijgen om dat karakteristieke geluid op band te krijgen? Maar toen de microfoons stonden ‘was het er meteen. Ik hoefde het alleen maar vast te leggen’.

Gewild

Johns schrijft ook met liefde en enthousiasme over zowel zijn jongere broer (Andy) als zijn zoon (Ethan) die hem in zijn voetsporen volgden – zeker Ethan is een zeer gewild producer. Toen die geen tijd had voor een plaat van Ryan Adams, suggereerde hij dat zijn vader de klus wel op zich kon nemen, en het leverde een van diens mooiste platen op (Ashes & Fire). En het is geen valse bescheidenheid wanneer Glyn Johns na die klus ‘besloot dat mijn geluid niet langer gedateerd was’. Want hij weet dat hij een degelijke, ouderwetse geluidsman is, die zijn ziel en zaligheid stopt in het opnemen van bandjes.