Wie wie pest in de klas verandert voortdurend

Pestpsycholoog

Wanneer iets echt pesten is en wie in de klas nu door wie gepest wordt is vaak niet duidelijk. Gijs Huitsing onderzocht het.

Het lijkt zo duidelijk. Je hebt een paar kinderen in de klas die pesten en een paar die altijd door hen gepest worden. Maar zo simpel is het niet altijd, laat Gijs Huitsing zien in het onderzoek waarop hij gisteren in Groningen is gepromoveerd. Soms kan iemand zowel pesten (iemand die zwakker is) als gepest worden (door iemand die sterker is). En als je aan kinderen en leerkrachten vraagt wie er in een klas precies door wie gepest worden, zijn ze het amper met elkaar eens (de overeenstemming is 11 tot 25 procent). Wie wie pest blijft ook niet constant; dat verandert.

Huitsing is niet in klassen of op schoolpleinen gaan kijken wat er gebeurt. Hij baseert zich op vragenlijsten die in Finland, Nederland en Zwitserland bij honderden kinderen tussen de 5 en de 12 jaar zijn afgenomen. In die vragenlijsten legde Huitsing eerst uit wat hij onder pesten verstaat. Pesten is, schreef hij, als iemand regelmatig gemeen is tegen een ander die zich moeilijk kan verdedigen. En gemeen zijn is: dingen zeggen die pijn doen, al dan niet achter iemands rug om, of iemand buitensluiten, slaan, schoppen of duwen. En dat allemaal meer dan één keer, en met opzet.

Nadat hij dat duidelijk had gemaakt vroeg Huitsing onder meer: wie pest er bij jullie in de klas en wie wordt er gepest? Word je zelf gepest en zo ja door wie? En door wie word je verdedigd? Zo kon hij ‘pestnetwerken’ opstellen (zulk onderzoek is tot nu toe voornamelijk met vriendschapsnetwerken gedaan).

Door een klas langer te volgen zag Huitsing ook dat de rollen van pester en gepeste niet vastlagen: slechts 20 procent van de relaties tussen pesters en slachtoffers was na een half jaar nog hetzelfde, de rest was veranderd. Meestal pestten de pesters nog wel, maar hadden ze andere slachtoffers. Slachtoffers verdedigen bleek riskant: sommige verdedigers werden daarna zelf gepest. Door ook de leerkrachten bij het onderzoek te betrekken merkte Huitsing dat niet altijd duidelijk is wie door wie gepest wordt.

Maar heeft iedereen het dan wel over hetzelfde, ook al stond in de vragenlijsten een definitie van pesten?

„De perceptie van pesten, en de interpretatie van wat wel en niet pesten is, blijft wel een lastig punt”, erkent Huitsing aan de telefoon. „Leraren noemen kinderen bijvoorbeeld vooral pesters als die ook ongehoorzaam, agressief en overactief zijn. En ook als er geen machtsverschil is noemen ze het pesten. Dan is het strikt genomen geen pesten, maar voor de leerkracht wel. De definitie van pesten is helaas ook aan inflatie onderhevig, mede door alle media-aandacht.”

Wat valt daaraan te doen?

„Als een kind zegt dat het gepest wordt, moet je eerst eens vragen wat er precies gebeurd is. Een kind moet ook leren dat het wel vervelend is als je één keer wordt uitgescholden of buitengesloten, maar dat maakt het nog geen pesten.”

Hoe weet je precies wie de slachtoffers zijn op wie je je antipestprogramma’s moet richten?

„Als kinderen helemaal geen vrienden of verdedigers hebben lijkt het er eerder op dat ze écht gepest worden. En je kunt ook kijken naar antwoorden op de vraag ‘wie in de klas vind je niet leuk?’. Kinderen die vaak gepest worden, worden door een groot deel van de klas niet leuk gevonden, terwijl kinderen die incidenteel gepest worden beter in de groep liggen. Bij die kinderen kun je je ook afvragen wat het pesten voor hen dan inhoudt en hoe ernstig het is.”

Hoe kun je dat onderzoeken?

„Bijvoorbeeld met dagboekonderzoek of in dag- of weekbesprekingen met de leerkracht. Sommige kinderen hebben wel het gevoel dat ze gepest worden maar kunnen weinig concreets noemen. Sommige kinderen hebben vooral het idéé dat ze worden gepest.”

Wat is er dan met hen?

„Dat is lastig, dat heb ik niet onderzocht, maar sommige kinderen trekken zich dingen waarschijnlijk sneller aan. Dan moet je toch uitleggen dat het wel meevalt en dat het normaal is om af en toe eens een negatieve ervaring te hebben, maar dat niemand het recht heeft om een ander te kwetsen.”