Weg met die chips, zegt IBM

Na 103 jaar zit IBM in een ernstige dip. Het grootste technologiebedrijf ter wereld wil zichzelf vernieuwen en doet een groot deel van zijn hardwaretak de deur uit.

Veel donkerbruine schrootjes, hier en daar een onverwoestbare plant. De entree van het Zwitserse Rüschlikon laboratorium van IBM ademt nog de sfeer van de jaren zestig. Je zou niet zeggen dat hier, aan het Meer van Zürich, gesleuteld wordt aan de toekomst van een hightechbedrijf.

Achter de schermen werken onderzoekers onder meer aan nanotechnologie en miniatuurversies van datacentra. Deze opwindende uitvindingen staan nog in de kinderschoenen; ze moeten ooit omzet opleveren voor de technologiereus (430.000 werknemers) die al 103 jaar bestaat en in een ernstige dip zit.

In tien jaar tijd wist IBM nog geen 10 procent omzetgroei te realiseren. De omzet daalt al tien kwartalen op rij. „Teleurstellende resultaten”, zei topvrouw Ginny Rometty bij de presentatie van de kwartaalcijfers eind oktober.

De serverdivisie ging voor 2,3 miljard dollar (1,85 miljard euro) naar Lenovo, het Chinese bedrijf dat in 2003 al de pc-divisie overnam. Een beetje techniek: IBM verkoopt nu de tak die goedkopere servers met een Intel-chip maakt. IBM blijft nog wel gespecialiseerde eigen servers maken.

Volgend jaar gaat ook de verlieslijdende chipdivisie de deur uit. IBM wil er zó graag van af, dat het koper GlobalFoundries 1,5 miljard dollar betaalt.

Hardware afstoten is een ingrijpende beslissing voor een bedrijf dat zo’n dominante rol speelde in computertechnologie. Veel mensen kennen IBM als uitvinder van de eerste pc (1981), in de decennia daarvoor was het al de belangrijkste leverancier van zakelijke computersystemen.

Voor IBM’s toekomst moet je op bezoek in een van de twaalf researchcentra waar wereldwijd drieduizend onderzoekers werken. „We proberen hier te definiëren hoe de wereld eruit zou kunnen zien over drie tot dertig jaar”, zegt Ronald Luijten. De 55-jarige Nederlander is projectleider bij IBM Research Zürich. Na zijn studie elektrotechniek in Eindhoven verhuisde hij in 1984 naar Zürich, aanvankelijk met het doel om er vier jaar te blijven.

De verkoop van de servertak noemt Luijten „een generatiewisseling”. IBM stoot regelmatig een onderdelentak af, zegt Luijten: „Dat is de reden dat we nog bestaan. Toen we net begonnen computers te bouwen maakte IBM ook zelf plaatstaal voor de behuizing. Daar stopten we mee toen andere firma’s hetzelfde konden, maar dan goedkoper.”

Datacenter in je dashboard

Luijten werkt met een klein team aan de microserver, een datacenter in a box. Bij de microserver passen bijna alle onderdelen van het moederbord van een computer op één chip. Dat scheelt enorm veel ruimte. Door gebruik te maken van waterkoeling verbruikt de microserver minder stroom dan traditionele servers. Luijten: „Opeens past er bijvoorbeeld een compleet datacenter in het dashboard van je auto. Daarmee kun je de complexe berekeningen uitvoeren die nodig zijn om het voertuig zelfstandig te laten rijden, zonder dat je rondrijdt met een kofferbak vol computers.”

Rekenkracht wordt bereikbaar op plekken waar je normaal geen datacenter zou bouwen, zoals midden in de woestijn. De ontwikkeling van de microserver valt onder een project van Astron, het Nederlands instituut voor radioastronomie, met subsidie van het ministerie van Economische Zaken.

IBM helpt zo mee enorme radiotelescopen te bouwen in de woestijn van Zuid-Afrika en Australië, om het ontstaan van de Big Bang te onderzoeken. Daarbij moeten grote hoeveelheden data opgeslagen en verwerkt worden: duizend terabyte per dag. IBM zal de microserver-technologie binnenkort licenseren. Het gaat niet om verkoop van de chips zelf; de toegevoegde waarde zit in het ontwerp, benadrukt Luijten. „Ik gebruik standaard onderdelen, chips die ook bijvoorbeeld in mobiele zendmasten zitten. Het zou mijn droom zijn om zelf een speciale chip te ontwikkelen, maar daarvoor is een startkapitaal van 100 miljoen dollar nodig. Ook hier gelden poor mans realities.”

Miljardencontract

Hardware is nog maar een klein onderdeel van de totale IBM-omzet. Het meest verdient IBM aan consultancy en IT-diensten voor grote bedrijven en overheden. Veel financiële instellingen gebruiken IBM-infrastructuur – afgelopen week maakte ABN Amro bekend dat het een tienjarig miljardencontract met IBM sluit. IBM moet het vooral hebben van multinationals, kleinere bedrijven kiezen vaak goedkopere alternatieven voor cloudsoftware.

IBM zette zijn onderzoekstak aan het werk om analysesoftware te verbeteren. Dat leidde tot Watson, de zelflerende software die in 2011 de menselijke deelnemers van kennisquiz Jeopardy versloeg. Watson was een uiterst prestigieus onderzoeksproject dat nu commercieel toegepast moet worden, onder meer in de medische en financiële sector.

Topvrouw Ginny Rometty kondigde aan dat Watson-technologie in 2018 een miljard dollar per jaar aan omzet op kan leveren; in 2024 10 miljard dollar per jaar. Volgens The Wall Street Journal, die inzage had in interne memo’s, is deze schatting te ambitieus. Watson zou in twee jaar nog geen 100 miljoen dollar omzet hebben opgeleverd.

De olifant kan dansen

De ontevredenheid over IBM lijkt op de onrust bij technologiereuzen als HP en Microsoft. HP splitst zich op, Microsoft is bezig met de grootste reorganisatie in zijn geschiedenis. Het is niet de eerste keer dat IBM in moeilijkheden verkeert. Dat gebeurde ook toen topman Lou Gerstner in de jaren negentig ternauwernood opsplitsing wist te voorkomen. Gerstner – hij kwam van buiten het bedrijf – ging de geschiedenis in als IBM-redder – en als de man die in 2002 met een bonus van 189 miljoen dollar vertrok. Hij wijdde een boek – Who says elephants can’t dance? – aan het bijsturen van het enorme bedrijf.

IBM is nu gedoemd te mislukken. Althans, dat vindt de auteur van The Decline and Fall of IBM (2014). Schrijver Robert X. Cringley, pseudoniem van de narrige techcolumnist Mark Stephens, zet in tien hoofdstukken uiteen wat er volgens hem schort aan IBM. En dat is niet weinig: het bedrijf is te traag en bureaucratisch om op snelle softwareontwikkelingen in te kunnen spelen, het personeel is overwerkt en ongemotiveerd, de kwaliteit van de dienstverlening lijdt onder het verplaatsen van dit werk naar India en Argentinië.

Algemener is de kritiek op Sam Palmisano (IBM-topman van 2002 tot 2012) die beleggers in 2010 beloofde dat de nettowinst per aandeel in 2015 twintig dollar zou bedragen. IBM probeert sindsdien de koers omhoog te duwen met inkoop van eigen aandelen, vaak met geleend geld. Geld dat ook gebruikt had kunnen worden voor investeringen en overnames.

Opvolgster Rometty heeft het koersdoel eindelijk losgelaten (nettowinst per aandeel nu: 15,93 dollar). IBM kocht ook cloudbedrijf SoftLayer, voor 1,2 miljard dollar. Een strategische investering die zelfs Robert X. Cringley positief vindt. „Daarmee zou IBM de 80 procent van de markt kunnen bedienen dat uit de niet-zo-grote-bedrijven bestaat.”

Ronald Luijten, met zijn dienstverband van dertig jaar, vertrouwt erop dat IBM zich hervindt. „IBM heeft zichzelf in zijn 103-jarig bestaan telkens opnieuw uitgevonden, elke twintig jaar. We hebben al vier van die transities achter de rug en zijn nu met de vijfde bezig. Vlak voordat Gerstner kwam ging het vrij moeizaam met het bedrijf, maar nu slaap ik er prima om.”