Waarom het zo moeilijk is van mening te veranderen

Het politieke debat is vaak zinloos, omdat mensen niet in staat zijn van standpunt te veranderen. Pepijn Vloemans vindt de verklaring in de hersens van de mens.

illustratie anne van wieren

Wanneer ik een praatprogramma op televisie zie met mensen van wie de mening me niet bevalt, let ik zelden op de interessantste partij in het debat: mijn eigen brein. Dat is jammer, want wanneer iemand iets zegt wat botst met mijn wereldbeeld gebeurt er iets opmerkelijks – ik word mentaal doof.

Waarom mijn brein niet openstaat voor meningen die tegenstrijdig zijn met die van mij beschrijft de hoogleraar psychologie Drew Westen in The Political Brain (2008). In een onderzoek testte hij hoe Republikeinen en Democraten omgaan met feitelijke informatie die van ‘vrienden’ of van ‘vijanden’ komt. Beide groepen werden geconfronteerd met sterk conflicterende uitspraken van de Republikein George W. Bush en de Democraat John Kerry. Zoals verwacht bleken de Democraten haarfijn aan te voelen wanneer Bush tegenstrijdige dingen beweerde en wisten Republikeinen precies te vertellen wanneer Kerry verkeerd zat.

Maar toen de groepen geconfronteerd werden met tegenstrijdige uitspraken van hun eigen partijleiders registreerden de onderzoekers paniek. De deelnemers bleken razendsnel een verdedigingmechanisme in werking te stellen om deze paniek uit te schakelen. ‘Het brein registreert het conflict tussen data en verlangen’, schrijft Westen, ‘en begint te zoeken naar manieren om de kraan van onplezierige emoties dicht te draaien.’ Als dit proces is voltooid, ontdekte Westen, beloont het partijdige brein ons zelfs met een goed gevoel.

Goed en kwaad

De wereld indelen in goed en kwaad – het voelt lekker en dat heeft een oeroude verklaring. De mens is geëvolueerd in kleine groepen, waar bondgenootschap een kwestie van leven of dood betekenden. We zijn ontworpen met een sterke emotionele ‘bias’ om alles wat de tegenpartij zegt te wantrouwen. Argumenten en ideologieën dienden niet om dichter bij de waarheid te komen, maar waren de mechanismen waarmee binnen groepen loyaliteit gesynchroniseerd werd. Hoe loyaler groepen waren, hoe sterker het gevoel van ‘wij’, hoe meer het individu zich kon opofferen voor het geheel. De duistere zijde van samenwerking en loyaliteit is doofheid voor argumenten en goede ideeën van buitenaf.

Vooringenomen positie

De moderniteit heeft daar geen verandering in gebracht. Niemand, hoe intelligent ook, kan ontsnappen aan deze politieke bias. Het tegenoverstelde is vaak zelfs het geval: hoogopgeleiden zijn vaak extremer in hun partijdigheid, omdat ze in kortere tijd meer argumenten en feiten kunnen verzamelen om hun vooringenomen positie te versterken.

Daarom is de strijd in de politieke arena ook zo fel. Het gaat daar zelden over feiten, maar altijd over emoties. Politici, ideologische opiniemakers en de legers aan partijdige online commentators zijn experts geworden in het activeren van onze emoties, maar doorgaans slecht in het stimuleren van nieuwsgierigheid en zelfonderzoek.

Dit is wat veel gesprekken over politiek zo zinloos maakt. Emotioneel geladen woorden zoals ‘gutmensch’, ‘linkse kerk’ en 'neoliberalisme' worden in zinnen verstopt om aan de emotionele knoppen van de lezer of toehoorder te draaien, niet om een gesprek aan te gaan. Op korte termijn is dit misschien een manier om verkiezingen te winnen, je goed te voelen of bezoekers te trekken op een website. Maar op lange termijn betekent onze geslotenheid voor ideeën van ‘de ander’ dat goede ideeën verloren gaan.

Een goed voorbeeld zijn milieuorganisaties als Greenpeace en Milieudefensie. Wetenschappelijk onderzoek wordt door deze organisaties terecht als argument aangedragen om klimaatverandering te bestrijden. Maar als het aankomt op genetisch gemodificeerde organismen (GMO’s) negeren ze diezelfde wetenschappelijke consensus die zegt dat GMO’s veilig zijn, en jagen ze consumenten willens en wetens angst aan met broddelwetenschap.

Hoe te ontsnappen aan dit ideologische brein? Dat is lastig. Als biologische wezens zijn we ten diepste verknoopt met onze partijdigheid. Wel kunnen we onszelf trainen bewust te zijn van het feit dat we vaak ten prooi vallen aan snelle oordelen. In Ons feilbare denken (2011) beschrijft de Nobelprijs-winnende psycholoog Daniel Kahneman op ongeëvenaarde wijze hoe we ons op tientallen manieren in de luren laten leggen door ons brein. En op internet houdt de gemeenschap lesswrong.com zich exclusief bezig met het trainen van hun eigen rationaliteit. Door te lezen over onze tekortkomingen wordt het een tweede natuur onszelf te wantrouwen.

Je moet nieuwsgierig willen zijn

Toch is het niet genoeg onze meningen te wantrouwen. Ook is er een positieve kracht nodig om ideeën van de ander te accepteren. En die kracht heet nieuwsgierigheid. Alleen door plezier te hebben in kwesties bekijken vanuit een nieuw standpunt bereiken we nieuwe plaatsen, die ons nieuwe vergezichten bieden. Echte nieuwsgierigheid verkruimelt uiteindelijk alle ideologische posities.

Maar dat is niet alles. Als we echt maatschappelijke vooruitgang willen boeken, geloof ik dat we zelfs verder moeten gaan dan individueel wantrouwen en nieuwsgierigheid. Wie zich geroepen voelt, zou goede ideeën van de tegenstander actief moeten prijzen en juist de slechte ideeën van onze eigen groep moeten bekritiseren. Als iets pijnlijk is om te zeggen of op te schrijven, moeten we juist die positie innemen. De reden hiervoor is simpel: zoals Drew Westen liet zien, luisteren we niet naar wat de tegenpartij zegt, maar luisteren we meestal wel naar suggesties van vrienden en familie.

Het is pijnlijk en moeilijk van mening te veranderen – maar onmogelijk is het niet.