Slijkspringer ruikt niks maar vindt toch partner

Het DNA van de slijkspringer is op tientallen pekken aangepast aan een leven op land. Dat schrijven de Chinese genetici die de complete DNA-volgorde van het visje hebben opgehelderd, woensdag in Nature Communications.

Slijkspringers zijn vissen die op de grens van water en land leven, in mangrovebossen en waddenkusten. Ze kunnen wel zwemmen, maar liever hupsen ze met hun borstvinnen door de modder, waar ze krabbetjes zoeken, territoria verdedigen en elkaar het hof maken.

Evolutiebiologen vinden de slijkspringer interessant omdat het de twééde vis is die aan land kroop. De voorouder van alle viervoeters was een kwastvinnige vis die 360 miljoen jaar geleden leefde. De slijkspringers splitsten zich zo’n 160 miljoen jaar geleden af van andere vissen.

De overgang van water naar land ging onder andere gepaard met aanpassingen in ooggenen. De meeste vissen kunnen ultraviolet licht zien, maar de slijkspringer heeft de receptor voor ultraviolet licht verloren. De Chinese genetici denken dat het visje het gen voor de receptor verloor omdat de blootstelling aan UV-straling op het land groter is dan in het water.

Ook ruiken gaat de slijkspringer slechter af. De vis heeft de geurreceptoren die onder water werken verloren, maar zonder daar geurreceptoren die vluchtige moleculen herkennen ervoor in de plaats te krijgen. Dat verbaast de genetici: kruipende slijkspringers hebben geen moeite om prooien en partners vinden.