Op een gammele motor dwars door een woestijn van onverschilligheid

‘Vuurdoop’, ‘Lichterlaaie’, ‘Onder as bedolven’. Een blik op de hoofdstuktitels van Egidius volstaat om te concluderen dat Maria Stahlies nieuwe roman een branderige aangelegenheid is. Ook in de openingszin is het vuur al aanwezig: ‘Het kwam door de vlam dat het aftellen van de dagen niet alleen plechtig maar ook spannend was geweest.’

De term die Annette van ’t Hoff, de vrouw die wij in de roman van haar kindertijd tot aan haar middelbare leven volgen, voor haar eigen innerlijke vuur bezigt is ‘witte hitte’. Die hitte wordt grofweg bepaald door twee factoren. Beeldende kunst (in het bijzonder een stilleven van Pieter Claesz) én het gesmoorde leven van een jongen die haar broertje had kunnen worden. Kunnen worden, want Annettes moeder heeft het kind laten aborteren. Het leven dat er had kunnen zijn maar er niet mocht zijn, groeit in het hoofd van de jonge Annette uit tot een obsessie. Van tijd tot tijd doet het haar beseffen hoe exceptioneel het is om er wél te zijn.

Andermans dood als levenselixer. In het eerste van vier de delen slaagt Stahlie er het best in deze thematiek uit te spelen. In een springerige kindersfeer maakt ze aannemelijk dat het aardser maken van kinderen wellicht wenselijk is, maar desondanks ontwrichtende gevolgen kan hebben. Door de ogen van Annette is de abortusboodschap van moeder Ellen medegedeeld in een krappe auto, een kleine aardschok. Het op de televisie gevolgde gijzelingsdrama tijdens de Olympische Spelen in München heeft een vergelijkbaar effect op Annette.

Stahlie heeft een boek willen schrijven dat brandt van energie, levenslust en een onderhuidse vitaliteit die een uitweg zoekt naar de buitenwereld. Ze blijkt echter niet in staat de vlam naar de top van de Olympus te brengen, wat in dit geval neerkomt op het overbruggen van ruim vijfhonderd pagina’s proza. Vanaf het tweede deel, waarin de kemphanerige Annette naar de VS verkast voor een wetenschappelijk onderzoek naar beeldende kunst, leest de roman eerder als een richtsnoer voor vrouwenemancipatie dan als een literair werk. Dit wordt vooral veroorzaakt doordat de nare kaap voor Annette dan al zo ongeveer gerond is. Ze heeft haar plek gevonden, er zijn vrienden en er is succes; in feite loopt alles op rolletjes. Stahlie lijkt een toonbeeld neer te hebben willen zetten in plaats van een personage dat op een gammele motor door een woestijn van onverschilligheid rijdt. Literatuur wordt ergerlijk wanneer het een vorm van cheerleading wordt, en steeds vaker dringt Stahlie zich met de pompoms in de handen aan de lezer op.

De diepgang in Annettes wezen en denken wordt door Stahlie vooral in uitroeptekens en cursiveringen uitgedrukt: een wijs woord kom je al snel niet meer tegen. Daarnaast valt ook de onnoemelijke hoeveelheid sleetse gezegdes op, die ook niet bepaald bijdragen aan de, duidelijk beoogde, kwikzilverigheid van de tekst. Het ‘balletje moet rollen’, ‘de geest moest naar behoren waaien’, ‘Duitsland ging die dag naar de stembus’. En zo komt deze Ferrari dan met een paar duizend kilo lood in de kofferbak over de finish sputteren.