Na de moord op mijn zoon stierf ik als dichter

Dichter Sicilia werd een prominente activist tegen geweld in Mexico, nadat zijn zoon werd vermoord „om niks”.

Javier Sicilia: „Deze massamoord op de 43 studenten laat zien hoe het met Mexico gesteld is.” Foto Ivan Castaneira

Vierentwintig jaar was Juan Francisco Sicilia Ortega. In maart 2011 zat hij met zes vrienden in een bar in Cuernavaca, een stad op een krap uur rijden van Mexico City. De jongens werden bestolen die avond; een mobieltje en een camera verdwenen. De volgende dag gingen ze verhaal halen in de bar, maar daar was op gerekend. De eigenaar had banden met de georganiseerde misdaad. Juan Francisco en zijn vrienden werden door gewapende mannen meegenomen en vermoord teruggevonden.

„Mijn zoon stierf om niets”, zegt zijn vader, Javier Sicilia. Het verlies van Juanelo, zoals hij genoemd werd, nu drie en een half jaar geleden, maakte de dichter Sicilia tot een van de prominentste activisten in Mexico tegen het geweld. In juni 2011 kreeg Sicilia 20.000 mensen op de been, die in een mars van tachtig kilometer van Cuernavaca naar Mexico-Stad dagenlang de snelweg blokkeerden. Op het Zócalo, het centrale plein van de hoofdstad, hield de rouwende vader voor de menigte een vlammende toespraak tegen de vele moorden en verdwijningen in Mexico. Sinds het begin van de ‘oorlog tegen drugs’ in 2006 stierven daar door drugsgerelateerd geweld meer dan 100.000 mensen. 27.000 Mexicanen zijn vermist.

Nationale protesten

Opnieuw marsen, opnieuw ouders voorop met de foto’s van hun verdwenen en waarschijnlijk vermoorde kinderen in de hand. „De afgelopen maanden waren één groot déjà vu – erg triest, erg bitter”, zegt Sicilia. Hij en de beweging die hij oprichtte pal na de dood van zijn zoon, de Movimiento por la Paz con Justiticia y Dignidad (beweging voor de vrede met gerechtigheid en waardigheid), spelen een centrale rol bij de nationale protesten die nu in Mexico gaande zijn. Meer dan 25.000 mensen gingen twee weken geleden alleen al in Mexico-Stad de straat op om te protesteren tegen de verdwijning van 43 studenten uit het dorp Ayotzinapa in de staat Guerrero – niet zo heel ver bij Cuernavaca vandaan. Maandag werd opnieuw op veel plekken fel geprotesteerd.

„Deze massamoord laat, meer nog dan het bloedbad met mijn zoon, openlijk zien hoe het met Mexico gesteld is. De burgemeester van de stad Iguala beval de politie de studenten het zwijgen op te leggen. Die politie droeg ze vervolgens over aan een drugsbende, die ze waarschijnlijk heeft vermoord. Als ‘Ayotzinapa’ niet laat zien hoe kapot en verrot onze staatssystemen zijn, wat dan wel?”

Bij het vallen van de avond zit Sicilia op het terras van een cafe in Guernavaca, zijn breedgerande hoed op zijn hoofd, zijn diepe stem vol weemoedige spot. We zitten aan een levendig pleintje vol straatverkopers; het gesprek wordt steeds onderbroken door de oorverdovende stoomfluit uit het karretje van de pindabrander aan de overkant.

Het lijkt een idylle. Maar Morelos, de staat waarin Guernavaca ligt, behoort met buurstaten Guerrero en Michoacán tegenwoordig tot de gevaarlijkste gebieden in Mexico. „Dat is de ironie van dit alles. Toen Juanelo acht maanden was, verhuisden we uit Mexico-Stad naar hier omdat het hier toen nog rustig was.”

De voorbije jaren zette Sicilia zich in voor een wet die genoegdoening aan slachtoffers moest geven. De wet is aangenomen, maar, vertelt Sicilia, er is nooit geld toegekend, en er is maar een hele kleine commissie die moet bepalen wie in aanmerking komt. Aan het hoofd van een karavaan van ouders van vermiste en vermoorde kinderen reisde hij door de VS om te pleiten voor een strenge wapenwet en legalisering van drugs:

„Ik was radeloos, woedend”, zegt Sicilia, terugkijkend. „Ik had een enorme behoefte iets te doen, vorm te geven aan mijn radeloosheid en die van anderen. Voor mijn zoon, voor zijn vrienden. Maar ik had niet veel hoop dat ik ook iets zou veranderen. En inderdaad. Nu hebben we de tragedie van de 43.”

Als Sicilia niet rookt, zuigt hij fanatiek aan zijn sigarettenpijpje. Hij draagt een corduroy jas en een groot kruis onder zijn overhemd. In de zaak van zijn zoon zijn de daders gepakt, vertelt hij. Maar drie en een half jaar na dato is er nog steeds geen aanklacht tegen ze ingediend, laat staan dat er een proces is geweest.

„En dan was dit een emblematische zaak, een zaak die nationale aandacht trok omdat ik bekend ben. Kun je nagaan hoe het gesteld is met de zaken van al die vermoorde en verdwenen verwanten van mensen die niet bekend zijn, de mensen die zelf hun weg moeten zoeken bij de instanties. 95 procent van de misdaden in Mexico blijft onopgelost.”

Sicilia won verscheidene nationale prijzen voor zijn mystieke poëzie, en al voor de moord op zijn zoon was hij een gevreesd politiek columnist; in felle bewoordingen verzette hij zich tegen de wetteloosheid in Mexico en de oorlog tegen drugs van de vorige president, Felipe Calderón.

Nog steeds heeft Sicilia een politieke column, maar dichten doet hij niet meer. Toen het lichaam van zijn zoon gevonden werd, zat Sicilia op de Filippijnen, voor een conferentie. In het vliegtuig naar huis schreef hij zijn laatste gedicht en kondigde hij aan er nooit meer een te zullen schrijven.

„Dichten is een andere manier van kijken,” zegt hij er nu over. „Ik kon niet meer kijken en voelen als een dichter, voelen op een andere manier. Mijn poëtische dimensie is vermoord, samen met mijn zoon.”

Amsterdam

De drugs zijn het probleem niet in Mexico, vindt Sicilia. „Kijk naar Amsterdam. Daar barst het van de marihuana en harddrugs, en toch is er geen noemenswaardig geweld. Drugs zijn op zich geen veiligheidsprobleem, drugs zijn een probleem van de volksgezondheid.

„Mexico heeft geen rechtsstaat. Dát is het probleem. Drugsgeld heeft de staat tot op elk niveau gecorrumpeerd. Daarom heeft ze niet langer de politieke wil om tegen de kartels op te treden. Politiek en economie zijn hier de voortzetting van de georganiseerde misdaad met andere middelen. Enkel het aftreden van Peña Nieto, waar de bevolking nu om roept, verandert niets.”

Alleen met hulp van buitenaf kan Mexico echt fundamenteel veranderen, vindt Sicilia. „Er zou een internationaal comité van redding moeten komen, dat politici en bedrijven doorlicht en alle banden met de georganiseerde misdaad doorsnijdt. Als dat niet haalbaar is, is het van groot belang dat de internationale gemeenschap druk blijft uitoefenen op de Mexicaanse regering om schoon schip te maken. De regering zal al het mogelijke doen om onder hervorming uit te komen, maar dat mag niet lukken. Want dan kun je wachten op een volgende, nog veel grotere slachtpartij.”

Gaat de grote protestbeweging van nu dit bereiken? Sicilia aarzelt. „In Mexico hebben we een rijke, sterke beweging van protest. Maar de beweging wordt bijeengehouden door verontwaardiging en kan ook weer stranden en uiteenvallen. Er is geen duidelijk programma, geen eensluidend idee van wat er moet gebeuren. Ik ben niet optimistisch.”

Veel van Sicilia’s vrienden sturen hun kinderen het land uit, of verhuizen. Zelf wil hij niet weg, al wordt hij bedreigd en heeft hij altijd een lijfwacht bij zich. „Waar moet ik heen? Naar Nederland soms? Ik spreek de taal niet. Ik ben gehecht aan mijn huis, en hier in Cuernavaca heeft Juan Francisco 24 jaar gewoond.”

We staan op, om foto’s te maken aan de overkant van het pleintje. Sicilia wil graag de kathedraal aan de overkant laten zien, een van de oudste van Mexico. „Er is een grote tuin bij; een van mijn lievelingsplekken.” Hij praat en lacht met de kromgegroeide bedelares die in een rolstoel voor de poort van de kerk zit.

En hij vraagt de fotograaf naar diens leeftijd. Zevenentwintig? Javier Sicilia zucht diep. Zo oud zou Juan Francisco nu ook zijn geweest – als hij nog geleefd had.