Malaparte zingt de lof van de fameuze Franse geest

Optimistisch gestemd gaat Curzio Malaparte in 1947 van Italië, waar hij te veel vijanden heeft gemaakt, naar Parijs. Vroeger heeft hij in die stad gelukkige jaren doorgebracht, hij voelt zich bijna evenveel Fransman als Italiaan en schrijft zijn dagboek deels in het Frans. ‘Wat is Frankrijk edel, wat is het hoogstaand. Wat zijn de Fransen wellevend en trouw [...]’. Het weerzien met François Mauriac is echter ontnuchterend, en ook Albert Camus kijkt hem vijandig aan. ‘Snel doe ik een gewetensonderzoekje. Ik heb niets misdaan, niets wat hij me kan verwijten [...] Ach, ik ben Italiaan. Mijn land heeft Frankrijk de oorlog verklaard [...] Dat is het.’

Hier is Malaparte eerlijk tegen zichzelf noch tegen de lezer, want de Franse intelligentsia had er waarschijnlijk lucht van gekregen dat hij eerst de kant van de fascisten en pas daarna van de geallieerden had gekozen, daarmee de verdenking van opportunisme op zich ladend. Door het misprijzen dat hij ontmoet, voelt Malaparte (pseudoniem van Kurt Erich Suckert, 1898-1957) zich ondanks zijn liefde voor alles wat Frans is toch een buitenstaander, vandaar de titel.

Dat hij zijn blazoen probeert op te poetsen reken je hem niet lang aan, daarvoor schrijft hij simpelweg te goed. Hij doet verslag van ontmoetingen in het culturele, adellijke en diplomatieke milieu, geholpen door zijn vermogen personen met enkele woorden neer te zetten: ‘Ze zou knap zijn, als ze knapper was.’ Hij is een scherp observator van het Franse fatalisme na WO II, de nationale schaamte om de nederlaag van 1940, waarna men voor de bevrijding afhankelijk was van Amerikanen en Russen.

In dit boek, bedoeld voor publicatie in Frankrijk, zingt de auteur de lof van de roemruchte Franse geest – de hoffelijkheid, onafhankelijkheid en de superieure intelligentie –, maar de heersende lethargie ontlokt hem ook de uitspraak dat hij zich ‘een Fransman tussen vreemdelingen’ waant.

Uitdagend is Malaparte altijd. Hij generaliseert er lustig op los: ‘Een Française is altijd heel zelfverzekerd. Ze is de zelfverzekerdste vrouw van Europa [...] omdat ze weet dat de man haar uit hoffelijkheid altijd gelijk geeft.’ Zijn geharnast non-conformisme toont hij in zijn gebrek aan dankbaarheid jegens de gevallen bevrijders. ‘Ik sta niet toe, duld niet dat er iemand voor mij gestorven is [...] Ik heb nooit iemand gevraagd om voor mij te sterven, en als er toch iemand voor mij gestorven is, dan heeft ‘ie pech gehad.’

Het Dagboek is onevenwichtig, de auteur vervalt vaak in herhaling en in zijn expressionistische stijl draaft hij wel eens door, maar daar staat veel tegenover. Je hebt van die vervelende mensen die overal, echt overal, een afwijkende mening over hebben. Als ze kunnen schrijven, sluit je ze in je hart.