Listig gewonnen, maar als mens verloren

De schrijver wiens levensloop parallel liep met het Meiji-tijdperk (1867-1916), liet het literaire monument ‘Kokoro’ na. Nog steeds zorgt deze gelaagde roman voor debatten, en voor een absurd gezelschapsspel.

Precies 100 jaar geleden verscheen in Japan een roman die nog altijd tot de belangrijkste in het taalgebied wordt gerekend: Soseki Natsume’s Kokoro. Buiten Azië is Kokoro, wat ‘hart’ betekent, echter minder bekend, terwijl het door de universele thema’s toch relatief goed invoelbaar moet zijn. In dit jubileumjaar heeft Luk van Haute een nieuwe vertaling gemaakt, terwijl ook een recente, iets minder vloeiende vertaling door Erika de Poorter op de markt is, uitgegeven door HaEs Producties. Soseki is in 1916 overleden, waardoor het auteursrecht op zijn werk al enige tijd verlopen is. Vandaar.

Kokoro begint met de ontmoeting van de verteller, een jonge student, en een intrigerende oudere heer die hij Sensei (‘Meester’) noemt. Op het oog doet Sensei niet veel, en erg sociabel lijkt hij ook niet. Sterker: hij lijkt contact te ontmoedigen. Wanneer de student voorstelt Sensei eens thuis op te zoeken, antwoordt deze koeltjes. ‘Omdat ik ervan uitging dat we inmiddels vrij goed bevriend waren, had ik toch iets warmere woorden van hem verwacht,’ aldus de student. ‘En dus gaf die onbevredigende respons mijn zelfvertrouwen een lichte knauw.’

Toch lukt het hem tot de wereld van Sensei door te dringen. Wat zoekt hij daar? Richting en wijsheid, lijkt het. En het gevoel belangrijk voor iemand te zijn. ‘Ik kon me niet herinneren dat ik Sensei ooit opzocht voor vermaak. Hij had op een bepaald moment een effect gehad op mijn hoofd dat ver uitsteeg boven het soort vriendschap dat voortkomt uit samen plezier maken. ,,Op mijn hoofd’’ klinkt eigenlijk te kil, dus wil ik dat corrigeren tot ‘op mijn gemoed’. Het lijkt me allerminst een overdrijving dat Senseis kracht destijds naar binnen drong in mijn vlees, en dat zijn levensenergie door mijn bloed stroomde.’

Misantropie

Zo ontstaat een curieuze relatie tussen de twee, waarin ook Senseis echtgenote een rol speelt. De student betuigt zijn bewondering, maar heeft ook bedenkingen bij de misantropie van de oude man. Waarom heeft Sensei de liefde zondig verklaard en de mens verstoten? En waarom bezoekt hij zo nu en dan het graf van een jonggestorven vriend? Sensei wil er weinig over kwijt, maar verwijt de jongen wel nog nooit stil te hebben gestaan bij ‘de realiteit van de dood’.

De tweede helft van de roman bestaat uit een lange brief die Sensei naar de verteller stuurt. Wat hij nooit zeggen kon, zal hij schrijven. Sensei legt uit hoe hij al jong heeft geleerd mensen te wantrouwen, dankzij een inhalige oom die hem zijn fortuin ontfutselde. Hij vertrok naar Tokio en vond onderdak bij een Mevrouw en diens dochter, die hij Juffrouw noemt, en waarvoor hij gevoelens opvatte. Maar dat was buiten zijn vriend K gerekend. Op voorspraak van Sensei werd deze verstoten zoon van een boeddhistische priester ook opgenomen in het huishouden. En ja, ook K viel voor de charmes van Juffrouw. Dit woelde de diepste én de duisterste emoties in Sensei los – liefde baarde dubbelhartigheid, harteloosheid en dogmatisme. ‘Als ik ons in mijn hoofd naast elkaar zette,’ concludeert hij, ‘was hij veruit superieur. Ik had dan wel gewonnen met een list, als mens had ik verloren.’ Dat verlies wierp vervolgens een schaduw over de rest van zijn leven.

In Japan is Kokoro al decennia aanleiding voor fel academisch debat. Met name sinds de jaren tachtig is de interpretatie ervan verheven tot een bij vlagen absurd gezelschapsspel. De criticus Komori Yoichi suggereerde bijvoorbeeld dat de jonge verteller uiteindelijk met de vrouw van Sensei is gaan hokken, een bewering gebaseerd op één vrij terloopse, mogelijk onbedoeld dubbelzinnige woordkeuze. Maar de discussies gaan ook over de rol van Senseis echtgenote. ‘Haar naam is Shizu, wat ‘stil’ betekent,’ schrijft Flanagan, ‘en ze is een schimmige figuur die zich aan de periferie van de verhaallijn ophoudt.’ De vraag is: in hoeverre is zij op de hoogte van de bron van Senseis wroeging? En wat zegt dat over haar eigen houding?

Meiji-tijdperk

Een ander aspect dat de roman gelaagd maakt, is het eindigen van het Meiji-tijdperk. Soseki wordt vaak gezien als synoniem voor Meiji, aangezien zijn levensloop (1867-1916) vrijwel parallel liep aan de periode waarin Japan, na decennia zelfgekozen isolement, snel moderniseerde. De handelingen in Kokoro eindigen in 1912, het jaar dat de keizer overleed en het Meiji-tijdperk, dat in 1868 aanving, ten einde kwam. De dood van de keizer en de er op volgende junshi – het in de dood volgen van de meester – van generaal Maresuke Nogi worden in de roman gememoreerd. Maar meer dan een ode aan de verworvenheden van Meiji, is Kokoro een weemoedig afscheid van de vormelijkheid en tradities die door Meiji ondermijnd waren. Zoals vertaler Van Haute in zijn nawoord schrijft: ‘Ook Soseki was zich in zijn laatste levensjaren pijnlijk bewust van de eenzaamheid en de vervreemding aan de keerzijde van het gepredikte individualisme en het verguizen van de traditionele sociale structuren.’

Is Kokoro daarmee ook als roman onverwoestbaar? Ik heb bedenkingen. Met name in het eerste van de drie delen, ‘Sensei en ik’, meandert het boek, en valt het repetitieve karakter op. Daar leidt de roman enigszins onder de vorm. Het werd oorspronkelijk in korte afleveringen gepubliceerd in het dagblad Asahi, wat herhaling en eenvormige hoofdstukjes noodzakelijk maakte. Maar het is wel het deel waar Soseki de stelling op het bord plaatst die het verpletterende slotstuk ‘Sensei en zijn testament’ mogelijk maakt. Daar wordt de morele ambiguïteit van de personages echt tastbaar. En doordat fundamentele menselijke emoties en driften – liefde, wantrouwen, jaloezie – gaan domineren, spreekt het boek opeens tot ons over oceanen van tijd en de grenzen van culturen. Wie de eerste honderd pagina’s nog twijfelt, zoals ik twijfelde, zal door ‘Sensei en zijn testament’ gaan begrijpen waarom Kokoro een Japans literair monument is.