Jouw gedachten heb ik niet nodig

Giftige momenten, grote luciditeit en natuurlijk de drank: ‘Rondjerondjerondjerondjerondjero,’ in een correspondentie die het leven van de grote vertaler én schrijver omvat.

Tekening Paul van der Steen

‘Ik ben bezig een tweeslachtige reputatie van hersenacrobaat en alcoholist op te bouwen. Iedere dag zitten schrijven en lezen is een allerwonderlijkste tijdpassering.’ Als je de brieven van August Willemsen (1936-2007) leest, word je al snel overspoeld door nostalgie naar dingen die je helemaal niet hebt meegemaakt. Zoals de zomerweken die hij in 1964 doorbracht in de Spaanse badplaats Almuñecar, in de tijd waarin er wel toeristen naar Spanje kwamen, maar het grootste deel van dat land zich nog niet naar die buitenlanders had gevoegd.

Willemsen hing er met een gekwetste schouder wekenlang rond. Zwemmen kon hij niet, dus zat hij in cafés, met boeken en briefpapier, gebakken visjes en wijn. En bier drinkend trouwens ook. Student Portugees en Arabisch? Geen mens in Almuñecar die zich er iets bij voor kon stellen, een taal studeren. Op 30 juni: ‘Er gebeurt niet veel hier. Wat heb ik gedaan sinds ik de laatste brief heb verstuurd, donderdag de 25e? De dagen zijn moeilijk van elkaar te onderscheiden. Niets bijzonders om de tijd aan op te hangen. Een kleine verslechtering van het weer, gedurende het weekend nogal onweerachtig, vooral ’s nachts.’ Waarna een uiteenzetting volgt over het proberen van een witte wijn: ‘Kalmpjes aan, zo mogelijk niet zonder waardigheid. Twee bij Francisco. Twee bij Andrés.’ Waarna hij het verhaal langzaam laat vollopen, en zichzelf trouwens ook. ‘Het leek wel of alle mensen bij António een soortgelijke besluiteloze beslissing hadden genomen [….] Rondjerondjerondjerondjerondjero.’

De brieven uit Almuñecar zijn de mooiste uit Bewaar deze brieven als je eigen tekeningen, uitgegeven in de door De Arbeiderspers dit jaar resoluut gereanimeerde reeks Privé-domein. Het is Guus Willemsens correspondentie met Marian Plug (1937), de schilder met wie hij zijn hele leven bevriend bleef. Een deel van de brieven stond (soms flink herschreven) al in Vrienden, vreemden, vrouwen (1998) – nu is de hele correspondentie uitgegeven. Daarin is Plug ondergeschikt, zowel in aantal brieven als in onderwerp, want de brieven draaien meer om Guus dan om Marian – hoe begenadigd zij ook is als beeldend kunstenaar. Die van Plug geven wel een mooi beeld van hoe een jongere zich eind jaren vijftig stort op alles wat de moeite waard is in de wereld: kunst, muziek en wat er verder liftend te ontdekken is in Europa, tot in Marokko toe.

Dat haar brieven niet zo goed geschreven zijn als die van Willemsen, werd haar op het moment zelf al ingepeperd door de latere Pessoa-vertaler: ‘Als ik me voorstel wanneer het was en wie ik was, neem ik aan dat de pretentie van mijn brieven nog luguberder geweest moet zijn dan de onbenulligheid van de jouwe.’ Het is niet het enige giftige moment, elders houdt de jonge Guus zijn vriendin neerbuigend voor dat steeds als zij iets over gevoelens schrijft, ze dat in een andere taal doet. Zijn verbale machtsvertoon hing ongetwijfeld samen met een geheel andere machtspositie, die zij had: want Guus was verliefd op Marian, al openbaarde hij de intensiteit van zijn gevoelens pas begin 1992 in een verhaal in Maatstaf –, waar hij Marian pas een half jaar later op wees.

De verborgen jongensverlangens geven de brieven in het eerste deel van de correspondentie iets geremds, net als Willemsens poging om iets te maken van wat achteraf zijn niet-roeping is geweest: zijn pianostudie aan het conservatorium. Zijn ware roeping ligt in de taal, zoals blijkt uit een zin in een van de allereerste brieven. Het is er een van het soort schoonheid dat alleen uit de pen kan komen van een 21-jarige die meent dat de wereld aan zijn voeten ligt: ‘Mocht je niets hebben, om aan te denken, denk dan niet aan mij, ik heb geen gedachten nodig, ik heb de mijne.’

Ergens in de brieven uit Almuñecar schrijft Willemsen dat hij elke dag maar gewoon begint in de wetenschap dat ‘de ideeën zouden komen alleen maar omdat ik bezig was met een pen op papier en niet andersom’. Daarmee duidde hij meteen de kracht en de beperking aan van het schrijverschap dat toen nog moest beginnen.

Willemsen was groots door zijn taalgevoel, zijn eerlijkheid en zijn observatievermogen, maar van zijn onderwerpen moest hij het niet hebben, al had hij genoeg zelfkennis om dat te weten. Want vaak is rondkijken en noteren wat je ziet al voldoende. Bijvoorbeeld over het uitzinnige groeigedrag dat de planten in de tuin van zijn hospita in Brazilië een pruik bezorgt, of het verdrinken van een gewonde muis aldaar. In dat land wordt Willemsen regelmatig overvallen door groot chagrijn, wat hij dan maar weer weg drinkt, met nieuw chagrijn als gevolg. Die zelfkennis maakte ook dat Willemsen zich niet te groot voelde om zijn stem te lenen aan Fernando Pessoa, Carlos Drummond de Andrade, Machado de Assis, João Guimarães Rosa en al die anderen.

In het laatste deel van de bundel krijgt de breekbaarheid van Willemsen de overhand: zijn eigen, ooit ergens genomen ‘besluiteloze beslissing’ om dóór te drinken heeft zijn lichaam zo beschadigd dat zijn botten het bij het minste of geringste begeven. Bijvoorbeeld op een veerboot in Frankrijk: ‘Bij een onverwachte manoeuvre van de boot greep ik me te stevig vast met mijn geopereerde, net geheelde rechterarm, die opnieuw brak. Wanhoop. In de trein naar Parijs [...] viel ik vlak voor aankomst flauw van de pijn, of van een schok van de trein – dat weet ik niet. Ik kwam bij in de ambulance met een gebroken rechterheup.’ Na de revalidatie schoot zijn nieuwe heup uit de kom, vervolgt hij. ‘De ongelukken in Frankrijk waren niet ,,alcohol-related’’, dit laatste wel.’ Zo strompelde Willemsen naar het einde, dat kwam op 29 november 2007.

Echt vrolijk stemt het slot van Bewaar deze brieven als je eigen tekeningen dus niet – al hoop je maar dat Willemsen aan véél meer mensen heeft gevraagd zijn brieven zorgvuldig op te bergen. Zodat wij er nog veel te lezen krijgen.