Geen man die deugt, behalve ik dan

In een satirische roman schildert Lewis het achterbakse Amerika van de jaren dertig, met zijn platte sentimentaliteit en neiging tot eenvormigheid. Aan actualiteit heeft het boek niets verloren.

Een welgesteld Amerikaans echtpaar gaat op reis, gefotografeerd in de jaren dertig Foto H. Armstrong Roberts/Retrofile/Getty Images

In Babbitt, de roman die hem in 1930 als eerste Amerikaan de Nobelprijs voor Literatuur opleverde, doet Sinclair Lewis wat niet veel schrijvers aandurven: als hoofdpersoon kiest hij een vreselijke man. Niet vreselijk in een of andere fascinerende, duistere, bedreigende zin: George Babbitt is de vleesgeworden middelmatigheid, een vadsige, geslaagde makelaar in Zenith, een fictieve middelgrote Amerikaanse stad. In alle opzichten heeft hij zich geconformeerd aan de plaatselijke versie van de Amerikaanse droom; zijn geest is doordesemd van materialistische verlangens, hij likt naar boven en trapt naar onderen, hij praat in louter zelfgenoegzame clichés. Zijn steile moraal geldt vooral voor anderen, de mensen onder aan de maatschappelijk ladder, het linkse tuig dat de bestaande orde bedreigt. In zijn werk als makelaar liegt en bedriegt hij en hij sluit schimmige deals met notabelen af, maar dat doet niets af aan zijn formidabele gevoel van eigenwaarde.

Zo’n hoofdpersoon is een waagstuk – wil Lewis hem geloofwaardig maken, dan moet hij diep in zijn geest doordringen en de neiging weerstaan Babbitt tot louter doelwit van zijn sarcasme te maken. Dat lukt grotendeels – Lewis heeft er voelbaar plezier in de wereld van Zenith met zijn achterbakse moraal, zijn platte sentimentaliteit en Amerikaanse neiging tot eenvormigheid geheel door de ogen van Babbitt te beschrijven, die dat alles van harte onderschrijft, zonder commentaar van buitenaf. Af en toe, zeker in het begin van de roman, kan de schrijver zich niet bedwingen: wanneer Lewis het huis van Babbitt beschrijft, een en al geordend, burgerlijk comfort, voegt hij er een dodelijk zinnetje aan toe: ‘Eigenlijk mankeerde er maar één ding aan het huis van de Babbitts: het had geen ziel.’

Babbitt, dat in 1922 verscheen, is een satire op een zielloze samenleving, waarin slechts lege dromen worden nagejaagd. Dat pakt nog steeds komisch uit: de kleine wereld van de makelaar Babbitt, met haar herenclubs, schuine moppen, ongelukkige huwelijken, plichtmatige etentjes, afgetrapte conversatie en schrijnende hunkering naar sociale status, is nog altijd beklemmend op een hilarische manier. Volgens de nietsontziende Amerikaanse criticus H.L. Mencken toonde Lewis in Babbitt het ware gezicht van Amerika; maar de vertelling overstijgt zelfs dat. Hoezeer ook ingebed in een bepaalde tijd en plaats, de Verenigde Staten in de jaren van de drooglegging, Lewis ontleedt vooral de diepgewortelde menselijke neiging tot conformisme, de angst om het leven buiten de lijntjes in te kleuren.

Kringetjes

In zo’n wereld draait iedereen in kringetjes en de roman heeft dan ook nauwelijks een intrige. We volgen Babbitt in zijn dagelijkse leven, tijdens een zakelijke conferentie, een dinertje bij hem thuis, op stap met zijn makkers, en volgen zijn (hilarische) bemoeienis met de plaatselijke zondagschool, die door zijn toedoen verandert van een ingeslapen instituut tot een gehaaide commerciële onderneming.

Maar ongeveer halverwege de roman vindt een innerlijke verschuiving plaats – wanneer Babbitts jeugdvriend Paul, die gevangen zit in een onmogelijk huwelijk, in een opwelling zijn hysterische vrouw neerschiet, begint Babbitt de juistheid van zijn eigen wereldbeeld in twijfel te trekken. Hij rebelleert tegen zichzelf en dus ook tegen zijn omgeving – hij durft plotseling vraagtekens te zetten bij zijn eigen politieke overtuigingen, zijn ‘kameraden’ tegen te spreken wanneer de gebruikelijke rechtse dooddoeners worden uitgewisseld, en hij gaat ineens verder dan het gebruikelijke burgerlijke flirten met aantrekkelijke vrouwen. Even krijgt hij zicht op een rijker, avontuurlijker, dieper gevoeld bestaan.

Zijn revolte blijkt kortstondig en juist daardoor blijft Babbitt een geloofwaardig personage – veel van zijn nieuw erkende verlangens en inzichten blijken niet meer dan een sentimentele opwelling. Het is onmogelijk om buiten de bestaande maatschappelijke orde te leven zonder tot een paria gemaakt te worden. Babbitt valt te veel samen met zijn milieu om er aan te kunnen ontsnappen. Hij heeft heldhaftige dromen, maar hij is geen held.

Juist in dat inzicht zit de angel van Lewis’ satire – en de steek doet, ruim negentig jaar na verschijning van de roman, nog altijd pijn. Misschien nog wel meer dan toen; in het Zenith van Babbitt wemelt het van de radicale elementen die zich verzetten tegen de maatschappelijke ongelijkheid en het doodse materialisme dat daar als enig levend geloof geldt. Er hangt revolte in de lucht, de hoop op een ander soort maatschappij. Maar de belofte van de nieuwe mens is nooit ingelost en het ‘type’ dat Lewis in zijn makelaar schetst is voor ons nog steeds pijnlijk herkenbaar – er wordt alleen over andere auto’s en andere aandelen gepraat, er worden andere dooddoeners uitgewisseld bij het koffieapparaat, er worden andere schuine moppen verteld. Conformisme en zelfgenoegzaamheid zijn tegenwoordig niet minder een twee-eenheid dan in 1922.

Aanwinst

Uitgever Van Oorschot lijkt bezig een mooie reeks bijzondere moderne Angelsaksische klassieken uit te geven, die in Nederland nooit veel reputatie hebben opgebouwd. Ook Babbitt is een aanwinst. Alleen: de vertaling is zeker zo energiek als het origineel, maar te vaak onnauwkeurig of zelfs slordig, waardoor Lewis’ sarcastische toon aan scherpte verliest. Slechts enkele voorbeelden: wanneer de zoon van Babbitt spottend over de ‘hen university’ spreekt waar zijn zuster studeert, een universiteit voor grietjes/kippetjes dus, wordt dat in het Nederlands weggelaten. ‘Manly pleasantry’ is iets anders dan ‘mannelijk vermaak’. Wanneer Babbitt tot zijn genoegen het gerucht verneemt dat Lenin dood is en zich afvraagt waarom ‘It’s beyond me that we don’t step in there and kick those Bolshevik cusses out’, maakt de vertaling daar van: ‘Ik snap ook niet waarom we daar niet naartoe gaan en die rare Bolsjewiek eruit knikkeren’ – wat nergens op slaat, aangezien Babbitt denkt dat Lenin al dood is. Zelfs als er niet vertaald hoeft te worden, gaat het mis: het sentimentele lied ‘Silver Threads among the Gold’ wordt in de Nederlandse editie: ‘Silver Dreads among the Gold’ – misschien luisterde de vertaler naar reggae tijdens zijn arbeid. Zonde.