Een gymnasium? Op Zuid? Ja dus

Er komt een zelfstandig gymnasium in Rotterdam-Zuid. Nu moeten slimme leerlingen nog de Maas over.

Foto Lars van den Brink

Ze wonen ‘op Rotterdam-Zuid’ en zitten aan de noordkant van de Maas op school. Op het Erasmiaans Gymnasium, een van de twee categorale gymnasia van Rotterdam. Voor een iconische school moeten scholieren op Zuid naar de andere kant van de Maas.

Op Zuid komt nu ook een categoraal gymnasium. De burgemeester en de wethouder zijn ferme voorstanders. Het trekt talent aan, zeggen zij.

De gymnasiasten van het Erasmiaans zijn kritisch. Zij vinden dat de bevolking van beide stadsdelen meer moet mengen. De meeste jongeren uit Zuid komen zelden aan de noordkant. Andersom al helemaal niet.

Linda Groenendijk (16): „Klasgenoten van de basisschool gingen vooral naar de havo en vmbo vlakbij.”

Furkan Baran (16): „Een school om de hoek is makkelijker. Ik vind het niet erg om een stukje te reizen.”

Fatima Khan (17) : „Op Zuid zit je tussen de allochtonen op school. Dat was zo op de basisschool. Als dat op de middelbare school niet anders wordt, blijft je wereld erg klein.”

Sezgin Güleç (16): „Het gaat volgens mij meer om de verschillen tussen rijk en arm. Op Zuid wonen vooral arbeiders, aan de noordkant vooral rijke mensen. Sinds de middelbare school zag ik opeens dát verschil.”

Linda: „Ik heb het gevoel dat rijke mensen niet beseffen dat ze rijk zijn.”

„Omdat ze alleen mensen tegenkomen die net zo leven als zij”, zegt Fatima. „Toen ik op de basisschool zat, dacht ik ook dat er in Nederland geen villa’s bestonden. Tot ik op het gymnasium bij vriendinnen thuis kwam.”

Furkan: „Ja, en dan komen ze bij jou en dan is het zo anders dan ze gewend zijn. Ze weten vaak niet wat ze zien, terwijl ons huis echt niet piepklein is. ‘Wat is jullie huis, eh, mooi ingericht’, zeggen ze dan.”

Ze spreken over vooroordelen. Scholieren van de noordoever zouden een vastomlijnd beeld hebben van de scholieren van Zuid. Die zouden allemaal allochtoon zijn en uit achterstandsgezinnen komen. Andersom geldt dat trouwens ook, vertellen ze.

Sezgin: „Hier op school zie je dat afzwakken, als ze zien dat het anders is. Ik sta dichter bij een autochtone Nederlander op Zuid, dan bij een Turk in Hillegersberg [een chique wijk in Noord]. Als je je hele leven op Zuid blijft, dan realiseer je je dat niet.”

Door elkaar te leren kennen, worden vooroordelen bijgesteld, denken ze. Maar helemaal verdwijnen ze niet.

Furkan: „Wij moeten onszelf constant bewijzen: we zijn even slim, we zijn hetzelfde als jullie.”

Fatima: „Dan krijg ik in de derde klas opeens vragen over mijn hoofddoek. Móét je die dragen, vragen ze dan. Van je ouders?” Ze lacht. „Of nu, over jihadisten. Dan vragen ze: Zijn alle moslims jihadist?”

Furkan: „Vrijwel alle moslims lachen de jihadisten uit.”

Sezgin: „Er zijn veel niet-gelovige Turken. Dat geloven Hollanders niet.”

Het nieuwe gymnasium op Zuid moet heel aantrekkelijk worden, vinden ze. Zo aantrekkelijk dat brugklassers van Noord naar Zuid fietsen. Want anders blijven de gymnasiasten van Zuid allemaal daar en dan schiet het nog niet op.

Wel zouden ze het mooi vinden als het ‘gewoner’ wordt om naar het gymnasium te gaan voor kinderen op Zuid.

Quirine Andriessen (18): „Ik heb een baantje als vakkenvuller. Ze vroegen: welke opleiding doe je? Gymnasium, zei ik. Dat vonden ze heel vreemd.”

Furkan: „Het past niet in het verwachtingspatroon. Het past niet bij de klasse waar je uitkomt.” Het werkt ook negatief uit soms, zegt hij. „Vrienden zeggen: hij is arrogant geworden.”

Quirine: „Mensen geloven mij vaak niet als ik zeg dat ik op Zuid woon. Wij wonen er heel prettig.”

Sezgin: „De meeste moslims gaan weg, als ze de kans krijgen. Weet je hoe Hillesluis, waar ik woon, genoemd wordt? Nieuw Mekka.”